gelsche, Gallische, Vlaamsche en Duitsche Ridders en desperate boeren en dronkaards, maar zij zijn bezit van den Keizer alleen, en geen Jodengoudstuk zal meer bij hem bin-kenkomen als allen, op een paar gedoopten na, gedood zijn behalve diegenen die, zooals hem bericht is, gevlucht zijn, heel den Rijn af, tot in de Palts Nymwegen, tot in Thiel en tot in het Sallantsche toe. Zwaar is hem de Bisschopsstaf, en hij berouwt het nu bitterder dan ooit, ja smartelijk, dat hij ze zich eens in handen liet geven, instee van den harden weg van den kluizenaar of althans van den veiligen kloostermonnik te kiezen. Macht heeft hem verleid, en hij is niet gemaakt uit die harde klei waaruit men Bisschoppen bakt die macht kunnen handhaven. Verduisterd en vergiftigd is zijn gelukkige vrede om zijn bloemenhof en zijn vogels, en hij weet het wel: daarom vreesde hij ook, zijn gezicht ervan af te wenden naar deze afschuwelijke moeilijkheden toe, boven het vraagstuk van worsteling, angst, woestheid en bloedlucht van weerlooze ongeloovigen. Hij heeft zich met woorden willen redden als de Rabbi hem kwam waarschuwen; hij hoopte op een gelukkig gesternte dat hem totnogtoe althans zulke beslissingen die zelve al rampen zijn, heeft bespaard. Den eersten Bisschop van Metz, maar natuurlijk niet minder dien van de heilige stad Keulen, is de Heer verschenen en heeft hem de beginletters der namen van alle Bisschoppen, al naar de waarde van hun daden, in goud, zilver of ijzer getoond: hoe zal de zijne eruit hebben gezien? Zal zijn deugd ook worden gemeten naar zijn houding tegenover de goddelooze Joden? Dat weet hij niet, maar tegenover den door God gekroonden Keizer heeft hij zijn onverbiddelijken plicht, en die plicht leek nimmer zulk een bosch vol vlammen en doornen als nu. En eenmaal tot de beschouwing van dezen toestand gezet, vreest hij nog meer rampen, ja is het niet wonderlijk dat hij nu juist overal gevaar ziet, nu hij eenmaal zijnblik van zijnhof en zijn geschriften heeft afgewend naar de zondige menschen toe? — nu vreest hij ook dat niemand dit bendenleger tot staan zal brengen als het eenmaal zijn lust op de Joden heeft uitgeleefd. Wat wilden eigenlijk deze aanvoerders, die, vol haat tegen alle steden, den Keizer
339