moet de schuld boeten van Uw voorvaderen.”
Voor allen antwoordde Kalonymos klankloos: „Dat het God’s wil niet is, ons leven te redden, dat zien wij. Maar laat de heer Bisschop ons voor het antwoord op zijn overige woorden den tijd geven tot morgen.”
Zij waren besloten, zich niet langer achter zijn dubbelslachtigheid te laten aansleuren. Zij wisten dat nog verder uitstel van hun einde, het lijden en de ontmanning alleen nog ondragelijker, nog schennender zouden maken. Half verstorven baden zij en beraadden, den verderen nacht tot den vroegochtend. En zij besloten wat men in Worms besloten had, wat men in Mainz op de binnenplaats en in de gang van het paleis in het uiterste oogenblik voor de meesten nog te laat besloten had, en Kalonymos moest de eerste zijn die handelde. Maar het bericht daarvan kwam bij den Bisschop, door een onthutsten bewaker in schrik overgebracht: dat Kalonymos zijn zoon Mar Joseph omhelsd en daarna gedood had. En Ruthard stond ijlings van zijn slaapstee op en was hen voor. Geen grond was er nog voor hem, om hen verder te ontzien, nu er geen enkele kans meer was op eenige winst voor de Kerk. Bitter sloeg hij naar den Prijs die hem ontglipte, naar die beleedigende hooghartigheid die, eenmaal gewekt, gestraft en onderdrukt moest worden. Goed, de Keizer had zonderlinge vereeringen, hij wenschte een beroemd Rabbi als Kalonymos beschermd te zien, en Kalonymos had een traditie, omdat zijn grootvader door Karei den Groote naar hier was gebracht. Maar die Keizer zou de Kerk ook aan beleediging door Kalonymos niet blootstellen! Was het zoover dat Christus gesmaad werd, wel, dan had men toch een ongeloovigen geleerde niet te ontzien, die met zijn roem de macht van de Joodsche kooplieden dekte en de Christenen van de markt terughield? Wie ligt hem nader aan het hart? de geleerde Rabbijn, of de Christelijke poorter die klaagt over de alleenheerschappij van de Joden in den wereldhandel? Hij had nu al het mogelijke gedaan, en wanneer de Christenen van Rüdesheim die dit hooren, bij hun ontwaken de Kerk willen wreken, kan hij geen Christenleven wagen om deze ondankbare schenners te beschermen. En het
253