zinnige, altijd bedreigende Jodendom vernietigd zou zijn zonder geweld, zestig levende triomfen voor Ruthard, aartsbisschop van Mainz; zestig knielende en kruisende Joden, in wie dat verschrikkelijke geheim van het Oosten, dat oude, dat U eiken dag met het scherpe smeedsel van zijn vijfduizend jaar beschaving op de vlucht kon doen slaan, — was opgeheven en die men dan de hand zou kunnen drukken zonder vrees. Die vrees is het die nooit den aanval, bruusk of omzichtig, kan doen verflauwen. Die vrees doet eindeloos wantrouwen, schimpen, vleien, onderdrukken, uitdrijven en ten leste doet die vrees in haar hoogtepunt, in wanhoops-angst en opgedreven verrukking, dooden, opruimen, overweldigen, overweldigen, met middelen van scherp staal door de lichamen heen, tot blijvende stilte brengen wat geen rust laat.
En daarom lagen zij daar nog altijd, toen bijna allen beneden in die opgetaste zolder en binnenplaats, hun kouden vrede al hadden gekregen. Drie grijze Rabbaniem hadden een half uur geleden, ademloos van dorst, den monnik om water gesmeekt. Hij bood het aan voor tien mark zilver. Zij konden niet meer dan een groot deel daarvan bijeenbrengen, uit aller kleeren tot die van de bezwijmden toe, aan wat de Bisschop hen aan kleine bedragen gelaten had. Maar de beker kon niet door de tralies, en om toch waar te geven voor zijn mooie geld, goot de wakende pater door een stuk looden pijp het water naar binnen; zij vingen er elk een paar druppels van, tot groote voldoening van den monnik die zich gelukwenschte, dat hij geen bedriegende Jood was. Dat was een half uur vóór middernacht. Te middernacht kwam een edelman, in opdracht van den Bisschop voor het tralievenster, en vroeg naar Kalonymos. Toen die zich los had kunnen wikkelen uit het kluwen in het kleedhok en zijn bitteren half ontzielden kop vertoonde, werd hem de nieuwste wending in Ruthard’s houding geboodschapt: de Bisschop wenschte hen te redden. Drie honderd gewapende mannen zouden hen naar Rüdesheim geleiden, waarhen Ruthard zelve al gegaan was om hun veiligheid te bezorgen. Kalonymos wendde zich tot de zijnen. Zij waren bijna allen grijs
251