fen den Knaap het meest; hij sprak in dit gevaar met vaderlijke verwerping over dat goud, zonder de felle minachting van Mosché en de zijnen waarin hoovaardigheid leefde; zonder de moeizaam bevochten en nog altijd verbonden afkeuring van Rabbi Gerschom, vanuit een scherpe hoogte. Menachem zei het als een broederlijke beslissing alsof hij het leed daarom van zijn kleinere broertjes» zijn meesters, begreep, terwijl hij toch het bewustzijn van hun tegensparte-lmg daarin had opgenomen: „Zij moeten die paar Pfennin-gen die zij over hebben, maar hiervoor geven, dan heeft Hakodousj Boroeg Hoe, de Heilige geloofd zij Hij, er toch nog een bestemming voor gehad.” En er was een andere groep, die van de zelfstandige handwerkers, de smeden, de slotenmakers, de goudsmeden. Zij wisten zich in Keulen niet alleen tot nog toe volkomen onbelemmerd, maar ook, in hun voortbrengenden arbeid, zedelijk onbezwaard en erkend, en zij bezaten een zekere mate van poorterswaardigheid, voor Christenen evenzeer als voor de Joden. In hun schokkende geprikkeldheid van nu wisten zij dat ook de afgunst van het arme Christenvolk vooral van buiten de steden, dit ongeluk over hen sleepte; dat plotseling de bodem waarop zij vol rustigen trots en zonder eenigen overdaad leefden, tot gloeiend vuur onder hun voeten werd gestookt door dien nijd die het hunne niet gold. Zij hadden een oplossing die zij voor onaantastbaar hielden en die Reb Mosché de tweede helft van zijn aanval had ingeblazen: waarom moesten de Joden als kooplieden de Christenen tegen de andere Joden opjagen? en waarom konden zij niet evenals zij, allen handwerkers zijn? Waar niemand zijn wereld begreep en alles had aanvaard zooals God het in Zijn bontheid scheen te laten rollen, daar sprongen die kleinere burgers nu op tegen dat wat naast hen was en niet aan het hunne gelijk. En zij gilden tegen het metaal dat plotseling bleek, niet alleen hun altijd in de oogen te schitteren, maar ook den bliksem aan te trekken. Van dezen was Reb Abram, de goudsmid, die met zijn langen ernstigen kop, steeds zorgvuldig blauw-kaal geknipt, zijn hooge brauwen en nadenkende oogen bij de waardigheid van iets ingevallen wangen, het vóór-type was
16 241