gauw....? dan ha’k d’r zooveel niet van geweten....”
„Zoo.... heeft die ’n miskraam gehad,” herhaalde Joop nadenkend.
„Ja jongetje,” glimlachte Hartog, „dat bennen van die lote-rijtjes.... as ’t je meeloopt.... dan loopt alles mee....”
„Ja,” zei Joop, „da’s waar....” en om dan zijn onzekerheid over wat beter was maar weg te grappen: „je hadt jouw nuchteren kallefje an hèm moeten verkoopen.... dat was beter geweest.... Ja jonge.... allemaal gekheid.... maar onder ons gezegd.” zei hij nu ernstiger, daar hij Hartog’s benardheid en zijn gevecht zonder eind wel voelde.... „’t beste is jonge, as je jezellef ’n vrouw kiest.... dan is ’t uit.... dan gebeurt zooiets niet meer....”
Maar vreemd luisterde hij naar Hartog’s spotlach op, een felle bittere lach van een sater, voor Joop niet te verklaren, dwaas gevonden bij het eerste ontmoeten, maar onaantastbaar machtig, boeiend en snijdend: de Beems moesten zich diep openen om de bezetenheid een plaats te geven.
„Hahaha.... hihi____’n vrouw nemen.... wou jij dat an mijn
laten doen jongetje....? ik ben al boven de twalef! dat wist je toch wel, niet? liaha....! ik heb mijn zuster Regiene.... die stopt ook wel goed kousen....! ze is wel ’n beetje driftig, bij ’t whisten, maar ze speelt tóch niet zoo merakelsch slecht!”
„Willen ze je soms niet hebben?” plaagde Joop, getroffen en zich herstellend, „is ’t ’m dat ook soms?”
„Dat zal wel,” zei Hartog, „zoo is ’t.... Ze hebben d’r anders al wel genomen die niks „meer” waren as ik....” zei hij peinzend, want toch in zijn brooze ijdelheid gesneden, want hij droeg eindeloos de noodlottige onzekerheid met zich mee omtrent de geringste erkenning van zijn levenswaardigheid, „’t is maar de vraag wa’j meer of minder wilt noemen.... maar affijn.... daar za k met jou geen ruzie over maken.... alle gekheid op ’n stokkie.... A’j mijn ’n plezier wilt doen.... dan ga’j morgen met mij mee naar die vuile kerel toé.” „Naar die kerel toe? ikke?” vroeg Joop.... „wat inoe’k daar doen?.... vechten?”
204