Hartog voelde naar zijn blauwgeslagen oog en wees angstig naar de deur: „Maak toè!’’ riep hij, „lig nou niet te donderjagen.... maak èerst de deur toe....! Sluit het huis.... want de vijanden achterhalen mij.... Amalek zit mij op de hielen!” Glimlachend sloot Joop de deur; er kwam toch niemand meer, dat zou geen schade geven.
„Wat is d’r met jou an de hand?” vroeg hij, „word toch kalm kerel, wat is d’r gebeurd?”
Hartog was op het krukje gaan zitten en met een te voorschijn gehaalden rooien zakdoek aan het wrijven gegaan over zijn roodbezweete gezicht.
„Hou je stil jongetje,” zuchtte hij, „hou je stil, wat is ’t ’n tuig.... wat is ’t 'n vuil van de mesthoop opgeraapt.... ’t Is wel waar, ’t is wel waar, men zal zich niet mengen met die de handmolen draaien, want de geur der zwijnen is hun ademtocht.... Hou je stil, hou je stil....”
„Hè’j gevochten?” vroep Joop nog eens.
„’k Moet je even spreken,” hijgde Hartog, „’k zal ’t je dadelijk vertellen....”
Joop wenkte naar Grietje met een knipoog die zei: „wat hindert ’t je? ga maar even weg....”; de kinderen begonnen te huilen, zoodat ze gemakkelijk naar binnen ging.
„Wie heeft je dat dan gelapt?” vroeg Joop, „in godsnaam kerel, hoe kóm je daar an.... zoo’n vechtersbaas bè-j toch anders niet....”
„Schei uit,” klaagde Hartog, „weet je dan van niks? dat heeft haar vaar gedaan.... Ja, jonge.... ik zeg je toch.... wee hem die zijn heil verzaakt met vrouwen.... ongeluk en verbittering zijn zijn deel.... Weet je dan van niks? haar vaar is me dronken tegen gekomen en heeft me geld willen afpersen.... en is begonnen ruzie te maken.... lazeres bezopen!.... en heeft me met zijn klauw een blauw oog geslagen.... Ik ben vanzel-lef op de vlucht gegaan.... ik heb me geschaamd.... wat dacht je dan da’k weerom zou gaan slaan? an zoo’n vuile jenever-lap? duizend menschen d’r omheen, die d’r om lachen omdat ’n jood ’n pak ransel krijgt.... dat begrijp je.... ja man.... ’t is nog altijd hetzelfde.... verbranden en versnijden willen ze ons
201