HOOFDSTUK XIII
JOOP stond ’s Zaterdagsavonds voor de stille deur heimelijk te turen naar den vollen winkel aan de overzij. Lusteloos had hij zijn pet over de ooren getrokken; zijn schoone jas was achter onaangeroerd blijven liggen, zijn bruinrossige haard was, in den nurkschen tegenloop, al meer en meer verwaarloosd. Grietje had hem al eenige malen naar binnen geroepen: kleine Izakkie vocht met Froukje, ze kon ze niet haas worden. Maar spijtig van zorg, prikkelbaar, had hij teruggesnauwd: ze moest niet an z'n ooren liggen te donderen, dan moest ze ze maar op hun donder slaan, as ze niet stil wouen wezen, maar hèm asjeblieft met rust laten. Zij zweeg dan, tobde met de bandelooze kinderen, te ongeduldig als hij, om ze met zachtheid tot stilte te brengen: van winkelopenen af met Sjabbes-uitgang, waren tot nu toe twee klantjes binnen geweest.
Aan de overzij was, in het helle licht, een levendig arbeids-spel van witte mouwen bij koperen schalen voor de toonbank, waar, onophoudelijk aangevuld, een klit vrouwen met mandjes achter te lachen en te gebaren stond. Voor een klein tafeltje, dribbelde Fietje, keurig gekapt, geld te ontvangen en gaf lachjes en vriendelijkheidjes naar de klanten; vooral het voortdurend herhalen van het volksdialect naar de mannen, een bewegingkje dat door zijn eerste natuurlijkheid bekoring wekte, sloeg in, hoewel zij niet nalaten kon de vriendelijkheid van het publiek hierin te misbruiken.
En altijd zag Joop weer, even over de straatbolling heen, de twee rustende bovenlijven van Vader en Moeder, die elk voor hun raam de winkeldrukte zwijgend zaten te beturen. Boven de winkelramen was het bord met Vleeschhouwerij weggenomen en een langer van zwart marmerglas met goud-letters glansde weelderig-dof in den opwaartschen naschijn van het uitstallicht tegen den gevel; op de ramen plakten biljetten met groote letters en uitroepteekens van hevige concurrentie en afslag. Ja, ’t ging goed zoo, hij kon gauw gaan bedelen, as ’t zoo voortging. Sjabbes maken met ’t geld
13
193