verloving zelf, vier dagen nadat-ie Fietje gevraagd had, had hij stil gloeiend mooie Rozetje de Beer beloerd. Van haar kleinroode babbelmondje naar de huppelende, wiebelende, bruine voetjes, had hij angstig haar prachtige broosheid gezwolgen en de inalsche gebaren van haar jeugd. Dadelijk was hij al niet meer tevreden met Fietje. Benauwde oogenblik-ken had hij toen doorvochten, terwijl de bruid naast hem steeds antwoorden vroeg op voor de gasten gespeelde lief-doenerij, en terwijl de honderdmaal mooiere Rozette er wel plezier in scheen te hebben, hem te sarren met haar jonge korf vol heerlijkheid. Toen de mop met Fietje’s oom Wolf gebeurd was, die, abnormaal van één borreltje te veel, van zijn pleegkind’s bruidschat rond had geroepen met roodgezwollen kop, had Sam zijn onbedaarlijk plezier uitgelachen tegen Rozetje. Nee, hij mocht ’t niet zeggen, niet eens dénken; maar als-ie niet verloofd was, en z'n oordeel zeggen moest over die twee! dan zou-ie ’t ze wel vertellen: dat Fietje hij zoo’n Rozette vergeleken een angekleede verlepte ouwe vrouw was.... Als-ie aan zoo eentje dacht, sloop ontevredenheid vergiftigend hij hem binnen; die Rozette die moest d’r één met centen hebben, eene die wat was, minstens een dokter of ’n advocaat, of eene met ’n dikke broodwinning.... Als ’t dat ook niet was.... Maar voor dat je een echte mooie vrouw kreeg.... die waren niet voor ’t oprapen.... dat was ’n tref....! En hij kreeg met Fie toch iets dat hij graag wilde: een echte, levende zaak, iets voor z’n leven, iets dat hem tot man maakte in de maatschappij. Men kon ook niet alles verlangen. Dit zou menigeen hem nog benijden, geloof maar!
Nu en dan, als-ie weer bij Fietje was, werd hij, door haar maar veel aan te zien, wel weer tevreden. En hij verheugde zich over een tikje begeerte naar haar element van wulpsch-heid; hij zag daarin ook een streepje meerderheid, een soort levenskunst, tengevolge van haar grootsteedsche afkomst.
192