kies knabbelen, ouwelui die wat ondervonde hebbe, die nog wat overgepot hadden: allemoal mesjoggaas, ik zeg maar waar me z’n brood het en daar is me gauw gewénd.
En weggaan en hoed opzette en weer ’n handje en ’t is me heel aangenaam gewees en kom U eris vóór de gassene weerom, och, me mot nou nog maar profiteere — en ’n goppe-bejèt mót 'k hebbe, ik reken derop, ’k hou me niet vreemd. En de meissies in de kamer met aanstootjes: wat ’n rauwe raap van een vent, en ik zou ’m niet wille hebbe, voor geen geld.... En de anderen óók niet, hoe-oe! al had-ie een millioen zoo’n man, liever géén man als zoo één. Met ten hemel gerichte oogen: 0! gö-öd! zóó een man!!! O-o! — En eentje: nou, Fietje is niet meer waard, weet je wat, hij is voor haar nog te knap. En het jonge paar weer naar een ander gezelschap, hij als hoerenhui tusschen die cultus in van gebakken taartsuiker met jam; bedrukt, benauwd, gestraft, brutaal en met onhoudbare valsche bewondering zat hij erbij, en snakte naar een gesprek van een kwartier met een fatsoenlijken slager, over den prijs van huiden, darmen en schoone hotten. Wat hielden ze allemaal veel van haar, wat een fijne meisjes en verdere fijne inenschen, allemaal dames, zei hij.
De bruiloft was bepaald met het voorjaar, Sant wou liever zoo lang niet wachten; deze winter zou meteen zeggen hoe de zaken wilden. Eenmaal bij elkaar raakten zij aan elkaar gewend, behandelden elkaar als verliefden; elk pleegde zijn eigen voorgewende verliefdheden jegens de aanstaande vennoot van de gezins-onderneming. In de stille vrij-uren, nuttige instelling uit het verleden, wekten zij, na veel laffe bezigheid, de uiterste lustbron gewelddadig op. Dan trokken zij zich plotseling met redelijk verkilde wezens terug: zij zouden met het intiemere deel van hun persoonlijke verbind-tenis wachten tot in het huwelijk. Zij wisten, dat moest de tevredenstelling van hun lichaam worden en van geen ander konden zij die verwachten. Hij durfde niet uitgaan en er waren oogenblikken dat hij haar verwenschte; ja, ’t was heel aardig en goed nu verloofd te wezen, maar je moest dan toch tenminste dadelijk kunnen trouwen. Op de receptie van z’n
191