keldheid, vervreemding en haat hing; alleen was de waardering daar wet geworden van de kracht van de zelfhandhaving bij de zwakste tegenover de verpletterende overmacht van het Duitse volk, en de Joodse strengheid in gebod en zedeleer werd een dwepende bewondering toe gekend, die meer door de geest van de jaren vóór ‘Het Boek der Vromen’ werd gedragen dan door het Joodse verval-tijdperk waarin zij leefden. Zo kon Wilhelm Pfalzers Lening-opzet bij de twintigjarige Peter de daadlust in beweging wekken: het eerste bezinnen; het eerste zelf-toevouwen en gedrongen beloeren van een sprongkans. Plij ontdekt, hij wantrouwt, en daaronder maakt zich de eerste verheuging los van een geheel eigen werkzaamheid. Uit de kortstondige zelftoevouwing tot de aandachtsspitsing op het éne prooi-punt maakt zich de ontplooiende wens los tot de daad die geest en lichaam beide ter wille zal zijn; hij wordt man. Als hij door zijn meester zal worden uitgezonden om de kapitaalkrachtige Joden te bezoeken, bij wie Pfalzer zichzelf zijn houding niet toevertrouwde, laat hij zich voor het eerst gelden. Hij krijgt Hof-brieven mee en verklaringen van de Eerste Rentmeester, geld, een koets en bediening. Hij mag dus vragen en hij vraagt:
‘Moeten wij zeggen, dat het een Joodse Lening blijft?’
‘Daar is geen haast bij,’ antwoordt Pfalzer. ‘Misschien kunnen wij ook geld van Christenen opnemen.’
‘De Joden,’ meent Peter, ‘zullen toch gevleid zijn als men hen alleen het recht laat om te storten. En,’ voltooit hij zijn slimheid, ‘zij zullen veel waarde hechten aan de persoon van de Hertogin, en aan het voorgestelde zeldzame Pand.’
Pfalzer beaamt dat in alle ambtelijke rustigheid. ‘Het kan geen kwaad; de Hertogin is de Joden ook goed gezind, en het Pand mag hun worden afgedragen. Zijn er geen andere gegadigden, en daarvoor behoeft voorlopig geen moeite gedaan, dan kunnen de Joden als zij bereid zijn, de hele Lening verzorgen.’