togin dus geen bezwaren had: Pfalzer was waar hij wilde wezen. Hij stelde zijn meesteres een ruime rente voor, alle bepalingen die in het voordeel van de geldgevers zouden uitkomen, en bovendien een ongewoon Pand. Dat Pand wilde Judith pas afstaan na ernstige besprekingen. Zonder veel verklaring en met een bijna geheimzinnig beroep op zijn bewezen betrouwbaarheid, bezwoer hij zijn meesteres dat het voornamelijk om de rente ging die niet alleen onbeknibbeld maar ook stipt moest worden uitgekeerd, en dat het voorwerp van waarborg, en dat was haar Kroon, haar weldra weer door hem persoonlijk overhandigd zou worden. Bovendien was het immers niet zo’n zeldzaamheid dat een regerend vorst zoiets tijdelijk afstond in het belang van het land. Al die tegemoetkomende beschikkingen, waarvan dan eigenlijk weer de beste moest zijn de toezegging van een snelle en aanlokkelijke afbetaling van de hoofdsom, waren niet overbodig, want zij zouden de laatste ongerustheid bij de wantrouwig geaarde Joden wegvegen.
Is Peters ergernis tegen het grote plan van zijn meester niet anders dan het verzet tegen elk bevel dat van de plaats komt die de mindere begeert? Is het afgunst op Pfalzers vinding? In ordening, in regeling, in volhardende arbeidzaamheid en het handhaven van persoonlijk overwicht is de Eerste Rentmeester een man die hij eerbiedigt en soms bewondert; al heeft hij van de vaderlijkheid die elke jongere van de rijpe mens verwacht, nog niets ervaren. Maar nu heeft Peter zich al vele malen in stilte verbeten staan bezinnen, en de verdenking van boosaardigheid kreeg een zwakke vorm.
Stelt hij dan belang in de Joden ? Het is waar wat hij later tot Ricia heeft gezegd: thuis is men op de Joodse levendigheid verzot. De vader heeft ze van de grootvader ontvangen: Joodse vrolijkheid, Joodse zegswijzen, ja nog enkele gebruiken die de