koude serails kwam tooien. Hij zag ook hoe de meer welgestel-den, burgers, aanzienlijken en de ridders waarvan er, dag in dag uit, langzamerhand al te veel waren geslagen — onder het naderen van de grote Pest-golf ontworteld raakten en bezeten van de lust, in een kort levenseinde van genot vergoeding te vinden tegen het afscheid in de onontkoombare Zwarte Dood. En hij stond, in zijn grote vierkante slimheid, zijn zet te beslissen die hem eer bij zijn meesteres en ook geld en goed voor zijn plaats in de wereld zou aanbrengen. Hij wist: eens in het leven komt altijd de kans, en kalm en besloten als een goed man van het Duitse land, moet men haar dan grijpen, om de eigen aangename soort voort te zetten en in welstand te verzekeren. En het gold te meer voor hem, die geloofde dat het bezit van het Hertogdom aan zijn hoge meesteres niet blijvend beschoren was. Hij schreef haar zijn raadgeving: naar zijn overtuiging was de tijd ten hoogste gunstig voor een flinke Lening. De Hertogin, in haar goede weduwenstaat door Lodewijk van Opper-Beieren bedreigd, die immers, na een vooral voor haar kostbaar militair gevecht de opvoeding van de beide kinderen op zich had genomen — was gelukkig met dat voorstel en vroeg, bij wie het geld kon worden geleend en hoe groot de som kon zijn. Pfalzer antwoordde dat vijftigduizend gulden een bedrag was dat bij de opbrengsten van een zo belangrijk kroonbezit wel verantwoord mocht heten, en dat hij meende bij Italiaanse bankiers en bij de Lombarden wel bereidheid te zullen vinden. Judith, getroffen door de stoutheid van de som gaf haar Rentmeester opdracht, de besprekingen te beginnen. De Italiaanse bankiers bleken overmatig bezet, Lombarden kende men in de streek niet, en de Adel in de omgeving was zelf op lening aangewezen. De Hertogin vroeg Pfalzer toen, of hij misschien een Lening bij de Joden zou ontraden? Zijn antwoord was: geenszins, wanneer de voordelen niet aan anderen konden worden gelaten, en indien de Her-