laten gelden. Een man zijn zoals het van hem geëist wordt. Maar van haar antwoord begrijpt hij niets, haar houding is een en al raadsel. Is het omdat zij Jodin is? Of alleen maar omdat zij vrouw is? Was er dan niet eerst onderscheiding? Hij kan zich daarop niet en op niets beroepen. In haar onwil verdwijnt zij met al haar hoop en heerlijkheid brengend bestaan in een afschuwelijk kwellend, tartend niets. O, hoe diep is de afgrond tussen man en vrouw, zij is onbetwistbaar meesteres over ons leven. Hij veracht wel een uur lang zichzelf, omdat hij opnieuw gefaald heeft. En toch... zo’n Joods meisje, hoe zou het passen in zijn omgeving, met haar warme levendigheid.