mantel is bij de hals gesloten, ja, en daar ligt weer een rode kraag omgeslagen over het blauw en het paars. Van achter wijduit hangt de mantel, sierlijk, o zeker, en daar toont hij weer zijn witte binnenzijde tegen blauw en rosé. Ach God, zij hoort de gelukkig makende stemmen van meisjes, die met haar zo’n ingewikkelde uitrusting in alle onderdelen noemen en er goedig om schateren, om dan keurend en radend de kledij van die vrolijke kring zelf met volledige aandacht te behandelen. Als het zo mocht zijn, als het zwart voor alle jonge vrouwen eens was afgeschaft; in vrijheid, in het recht voor ieder om zo gelukkig te zijn als men het zich verwerven kan; in vrede! — O, hij mishaagt haar niet als man; zij zal zijn uiterlijk niet vergeten, want het is zo alsof hij de enige is die dat draagt. Omdat daarbovenuit, recht en vol vriendelijkheid dat zwarte hoofd staat, met om de kin, een wel heel jeugdige kin! dat kleine donkere baardje. Er is zeker een geest van levens-echtheid in dat gezicht, en zijn stem is bijna bedriegelijk van Joods leven. Ach ja, hij wil haar zo graag beschermen, en nu al weet zij wat zij voor hem zou zijn als God hem haar, onbegrijpelijk — had toegedacht. Moederlijke vertedering om de broosheid van zijn werkelijke wil, minnares, ja minnares, zo bedenkt zij duikend in de diepste mogelijkheid van haar krachten en bestemming, al is het of zij erbij bloost — dan de moeder van hun kinderen, en de leidster van al zijn gangen.
‘Ik wilde uw oom Fantin raden, liever niet naar Straszburg te gaan.’
‘Is het daar gevaarlijk voor hem?’
Nu klinkt dat uit haar mond ook al bijna als spot. Ja, wat betekende dan wel haar verzet tegen die reis, daar in ’s Her-togenbosch? Zij moet het erkennen: het was nog meer verzet tegen de oom, en ook tegen zijn onderdrukking van haar recht tot spreken.
‘Het is overal gevaarlijk,’ moet Peter wel toegeven, ‘maar