‘In Worms, in Neurenberg.’
‘In Worms?’
‘Ge weet niet hoe graag ik u zou willen beschermen. Ge weet nu mijn naam, en van mijn geslacht kan uw oom Fantin u iets gezegd hebben.’
‘Ja heer Peter. Ja, Peter.’
‘Ik moet u beschermen.’ Zo warm straalde nu zijn begeerte uit, dicht bij haar nonnenkap, dat in al dat zwart en broze wit haar wangen rosé aanschoten, voordat zij dieper verbleekten. ‘O, dat mag niet zijn, Peter.’
‘Ik weet het Ripke, maar ik wil zeggen dat ik het zou wensen, al zal het moeilijk zijn.’
‘Maar nonnen hoeven geen bescherming.’
Zij zag hem aan; hij is mij niet onwelgevallig, dacht het in haar, ondanks zijn vreemde kledij en zijn afschuwelijke domme ‘Ripke’. Zij doet haar best te overwinnen wat haar genegenheid bevecht: die veelkleurigheid van zijn uiterlijk, zo vaak in haar kring bespot, kon zij wel niet vertrouwd, maar wel als een natuurlijke ervaring in haar aanschouwing opnemen. O, ja! voor een Joodse jongeman! hoe ondenkbaar die uitstraling naar de wereld als van een pralende vogel! De stille verslagen Joodse knapen van haar dagen, mompelend, bedeesd, ja bang voor elk vleiend woord dat moet worden uitgesproken, of wel door die dwang innerlijk zo verhit dat zij hun taal niet beheersen, en dwaasheden stotteren zonder te weten wanneer zij spreken of zwijgen moeten. Maar wat is er dan met deze? Moet zij het eigenlijk een ‘gotspa’, een te grote vrijmoedigheid noemen dat hij haar zo nadert? Een Joodse jonge man? O neen, met zijn Ripke. Een korenblauwe jas tot op de knieën, een brede rode gordel houdt zijn middel eng. Zij heeft het alles nauwkeurig opgenomen, kon zij het zo met Joodse meisjes doen en dan over haar aller bevalligheden! Rosé kousen op de zwarte puntschoenen en een bijna witgevoerde mantel. De