de maar vriendelijke trekken, de waarborgen voor de innerlijke veiligheid die de werkelijke veiligheid is. Zo is zij gelukkig, ja, het geluk komt haar uit die ongekende verte tegemoet, vol vertrouwdheid die haar eigen zekerheid is en haar vastbeslotenheid tot het volle pond. Uit liefdeserbarmen zou zij Fantin hebben gegeven wat hij vroeg in de nood van zijn langdurige hunkering. Het had haar vergeven moeten worden^ want nooit zou zij hem hebben getrouwd. Hij heeft haar moeder versmaad en in plaats daarvan haar moeders dochter aangebeden; God mag hem tot zich nemen in het bijeenzijn van de gelukkigen, met al de duizenden die rechtvaardiging behoeven omdat zij niet meer mochten beminnen. Zij gaat haar vervulling tegemoet, de vreugde van bruiloft en van liefde. Want zij kent de woorden van de Psalm, en proeft in alle vezels van haar krachtige jeugdigheid hun zin, die de zin is van haar diepste Leer en van de Leer van al de haren: het is de Leer van de bedreigden en van de vechters voor de voortgang. Sneller liepen haar voeten. Zij wist dat niet, nu het vers in haar zingen ging en stampen, het vers van de dichter die herder was en die triomf en bangheid heeft gekend. Onder het overwinnen van de stille landweg steeg dat Psalm-lied in haar op, tot de tranen de glimlach ontmoetten op haar wang en daar het verbond vierden van ’s levens hoogste, meest werkelijke vreugde. En de eerste regels, zoals ze die nu voor zich heen moest zeggen in haar eerste vrijheid, verdronken bijna in een, korte snik, van feest, van dankbaarheid en belijdenis:
‘Want niet de doden zullen God loven en niet zij die ter Helle varen.
Maar wij, wij die leven,
Wij zullen het Leven eren,
Van nu af tot in Eeuwigheid,
Halleluja, Halleluja, Halleluja.’