zo liefhad als zij zou wensen, sprak zij zo vastbesloten dat zij; daarbij over de weg voor zich uitkeek:
‘Neen, mijn beste heer Ecclesias. Ik zal u niet volgen in een Kerk en bij een volk die dit alles hebben gedaan of gedoogd. Ik zal u niet als overwinnaar erkennen. Ik zal mij niet onderwerpen aan een wereld die geen wijsheid kent. Ik zal mij niet bij u en de uwen aansluiten.’
‘Niet om mijnentwil, Ricia?’
Zij schudde rustig haar bleke hoofd met het blauwzwarte glanzende haar om haar kleine oren binnen het wit van haar kap.
‘Neen.’
Zij vroeg nog, zonder daarbij op te zien :
‘Vindt ge mij ondankbaar
Haar toegekeerd, in een afscheid, zei hij zacht:
‘Neen, alleen maar verstokt/
‘Als alle Joden/ vulde zij zijn gedachte aan.
Maar zij sprak het niet uit.
Zij liep alleen verder, met weinig vrees na wat hij haar had meegedeeld. Hij had haar niet alles kunnen vertellen wat haar belangde, en niets van wat nog zou gebeuren. Niets van haar vriendin Ozia die verloren was gegaan, niets van enkelen uit Worms die waren ontkomen, en onder wie ook Simeon, Rabbi Juda’s kleinzoon, met zijn koene dichterlijke ontdekkingen. Niets van de onrustige leugenachtige Bendit die een zoon zou krijgen waardiger dan hij, maar van zijn vaders levensdoel de voltooier, want hij bracht het tot een rijk bankiersbestaan. En niets over Aron uit Strassburg wiens nageslacht verarmde en in de tweedehandspandenopkoop terecht kwam. Ook niets van haar jeugdgebied, waar de verspreide Joden van Brabant, Gelre en Salland allen in de Pesttijd omkwamen, maar niet door de Ziekte. De beide Gosschalks, een van Werden en een