vijftig kleine, van Keulen tot in Oostenrijk, waren in het Duitse land vernietigd. En de Ziekte had Geselaars en zondaars bij honderdduizenden op de mesthoop van gruwel en verlatenheid gestoten. Op vele plaatsen raapte de Pest nog rond, maar waar de stilte van de dood was gekomen en het leven moeilijk op gang bleek te brengen, werden al menigmaal de gevluchte Joden met hun geldbedrijf weer binnengehaald. Rifke knoopte dat in haar oien, en dacht met somberheid aan Fantin, aan wie de terugkeer nu ontzegd was. Zij zwegen een poos. Toen begon Peter opnieuw.
‘Ricia, het kan niet dat ge onbeschermd voortgaat. Uw oom sterft en gij zijt nu gespaard, ge moet leven. Ik heb u ontmoet, en ik weet dat ik u in veiligheid moet brengen. Ge zijt jong, vernuftig en mooi. Ik kan u niet vergeten.’
Hij was tevreden over zichzelf; hij sprak nu met meer durf.
‘Vergeet mij maar niet, Peter,’ zei Rifke. ‘Maar hoe hebt gij u dat dan gedacht, om mij veilig verder te laten leven?’
Zij zag zijn moeilijkheid in het: nadenkend gebogen hoofd, niet anders dan zij verwacht had.
‘Het kan immers maar op één wijze,’ zei hij bijna mompelend. ‘Ik zei u, dat gij vrede moet brengen tussen ons. Het is toch waar dat wij allen kinderen van God zijn. Dat is de werkelijke Leer van onze Kerk.’
Nu zag hij haar aan. En wachtte.
‘Ge wilt dus dat ik u zal volgen? Ge wilt dus dat ik Christin zal zijn?’
‘Hoe zou het anders kunnen?’ vroeg hij, met rood belopen en wit doorstreepte wangen en voorhoofd.
Op haar beurt hield zij het hoofd omlaag. Maar het was om haar toorn te temperen. Zij zag wit. Toch schrok hij nog van de bijna vijandige scherpte waarmee haar antwoord zijn voorstel terugstiet. Terwijl de vraag door haar brein schoot, of het mogelijk geweest zou zijn dat verlangen te volgen als zij hem