‘De Joden zijn even dwaas en onmatig als de Christenen,’ sprak Peter. ‘Ik ben gelukkig dat ik u toch nog terug heb gevonden, Ricia,’ zei hij, ‘ik hoop dat het nu voor goed zal zijn. Nietwaar?’
Hoeveel trots en voornaamheid verrast hem weer, als zij antwoordt:
‘Ik ben u opnieuw dankbaar, heer Peter. Maar ga nu bij mijn oom Fantin. Help hem sterven en doe boete bij hem.’
‘Straks,’ zegt hij geschrokken, ‘uw oom zal geen Christen verlangen bij zijn dood. Ik heb overal, tot in Nordlingen toe, alleen smaad gevonden, toen ik de Joden wilde waarschuwen en redden.’
‘Gelooft gij dat zij anders niet waren omgebracht?’
Hij moest nadenken.
‘Niet zo smadelijk. Niet in die gouden val, waarvoor zijzelf het metaal hebben aangebracht.’
‘En die door de uwen bedacht is en opgesteld, omdat de Joden daarbuiten niet konden leven. Die val stond overal, in alle landen, voor hen open.’
Zij kon haar gedachten niet verder verwoorden. Zij wilde zeggen: die val stond om heel hun bestaan klaar, door de scheiding die allen tussen u en ons bestendigd houden.
‘Allen,’ zei hij, ‘ook de Joden, houden de vijandschap in stand. Daarom moet gij in uw leven de vrede brengen. In uw leven... en in het mijne ook, Ricia. Daarom moet gij u redden en gaan waar het voor u veilig is.’
Zij antwoordde niet, maar week met een nauwelijks zichtbare beweging terug. Zij kon de afwijzing niet uitspreken. Hij leidde de onenigheid weg met te vertellen wat hij van de verbrandingen wist. Zestig grote Joodse Gemeenten en honderd-