van het spel. Zij stormden alle vier op hem toe, en toen een trap als de slag van een honderdponds moker tegen zijn buik hem bijna ineen deed zinken, hadden acht grijpende handen zijn pij al vast, terwijl hij enkel nog dacht aan een hondje dat hij kort te voren in een open kelder jammerlijk had laten klagen zonder het op te nemen of wat voedsel te geven. Altijd straft God, en altijd vergeet de mens dat weer. Hij werd heen en weer gesleurd, hij had geen verweer meer. En toen kwam zijn ongeluk uit de woorden van een van de sterke boeren, die zijn hoofd dicht bij het zijne bracht en ondanks Fantins geschoren wangen riep: ‘Jezus Maria, het is een Jood!’ Zij zagen dadelijk met meer durf naar Rifks die daar op een afstand nog ongemoeid stond, en zij begrepen. Het werd een smadelijkheid en een bitterheid van de uiterste belediging voor waardigheid en lichaam, waarin hij dadelijk wist: dit is het, dit is het, wat allen lijden.’ Het was een heen en weer sleuren, een bloedig spel van katers met een kleine prooi; een stompen op ogen en mond, zodat de tanden braken, een smijten tegen de muur zodat de lendenen kneusden, een speels herhalen zodat ze braken en een klacht uit zijn verminkte hoofd zacht omhoog loeide, een neertrappen en steeds wilder verwonden en beschadigen, totdat het bloed aan alle kanten uit het lichaam vluchtte en het hulpeloos achterliet met krampen en benauwenis en doods verwachting bij te gering gebleven adem. De dorpers zagen elkaar aan toen hij lag, zij hijgden, rood van inspanning, tevreden en schuldig; toen lieten zij hem. Zij waarschuwden elkaar voor verdere aanraking; zij hadden de Pest vergeten, misschien had hij die wel het dorp binnengebracht, en daarmee erkenden zij zich ook weer genoeg gerechtvaardigd.
De jongere knapen hadden toegezien in een opwinding op de grens van angst en genot; zij wezen nu, jegens de groten eerbiedig, naar Rifke, die trillend was blijven staan, want zij