zag nu toch verraad in het vluchten. ‘De non is daar/ aarzelden de jongens vol ontzag, verwachting en vrees, en keerden zich met de groten in Rifke’s richting.
Maar nu moest de redding komen, want hoe zwart ook domheid en verwarring de wereld beheksen, iets van het leven blijft staan en gaan, om het duister weg te blazen en de aarde tot een heerlijkheid voor allen in bloei te tuinieren. Daarom klonk nu de hoefslag van Peters paard op de doffe bodem van het nog niet ontschemerde en vergiftig moordgebied, en hoorde Rifke de stem die zij voor het eerst in het Brabantse bos had vernomen:
‘Kom toch hier, Mejonkvrouw! Ricia! Snel!’
‘Snel!’ riep Rifke, en nu werden haar ogen vochtig, ‘ja snel! help hem snel! mijn oom Fantin! hij ligt daar!’
‘Wij zullen een arts halen. Kom toch mee!’
De dorpers stonden bedremmeld op een afstand van ruiter en non, en eer zij heengingen, hepen zij nog naar Fantin terug, maar hadden geen moed, dichtbij te komen. Hij lag nu languit in het zand van de weg voor de lage woningen. Hij ervoer nog vaag het oplossen van de laatste schemer in de wijder geworden helderheid van de ochtend; zijn laatste bewustzijn over de dodelijke pijnen heen, onder zijn bezwijkend leven, was de spreuk van de Prediker: ‘Hakol He wel,’ alles ijdelheid, Geld, Macht, en ook liefde? Al moest er toch iets zijn dat de mensen bond, en het leven zijn grond en waarborg gaf? Aan zonden is hij niet ontkomen; slecht is hij niet geweest. Het moet beproefd worden hierna, na dit alles. Bij Abraham, Isaac, Jacob en Rachel. Hoor Israël, de Eeuwige onze God is een enige, eeuwige Wezenlijkheid.’ Misschien komen de Engelen hem toch halen.
Het laatste dat hij zag, was toch nog Ricia. Het is Ricia. Zij ziet hem aan, vriendelijk, en dan weer afkeurend, als altijd