handen glijden, tengevolge van de aarzeling die hij zich toch aanrekent als deugd. Had hij niet haar versmade moeder zo geschuwd, haar blijvende stille wrok niet gevreesd en zich betrapt op angst voor gulzigheid jegens de dochter van de vrouw die bijna zijn bruid was geweest, — dan had hij haar vader om haar kunnen vragen en zij zou zijn vrouw zijn geworden. Hij had haar willen bezitten met haar volle wil, als gezien Joods burger, met het zich toegekende recht op de vervulling van zijn liefdewens, de enige in zijn leven, zoals hij dat twee jaar lang voor zich heeft vastgesteld, een werkelijk geluk, een bekroning tot levende, werkzame vrede.
Niemand scheen toen te weten wat, behalve de algemene nood, zijn welbehagen aam vrat. En dan komt eindelijk de ontmoeting in zijn woning; zij vlucht naar hem, in zijn armen, en is dat niet in zijn armen? Eloe schept de mens zichzelf de sluiting van gevolg en oorzaak, naar zijn eigen enge lust. God stuurt dat einddoel van zijn hunkering voor zijn ogen, om zijn steun, om een plaats in zijn leven, hoe kon hij dat anders verstaan? En het wil toch niet de plaats waarop hij wacht, en dat waar het honderd anderen zonder wrijving gelukt zou zijn, ze haar te doen innemen. Sindsdien is haar nabijheid louter zaligheid en kwelling geworden, schaamte om zijn vernedering en zijn zwakke onvolkomenheid, gevecht om nadering en verheimelijking. Het zelfvertrouwen dat sterk leek, en dat hij genoeg meent te hebben gekend om een man een man te weten, zeventien of veertig, het wordt genadeloos doorbroken en laat menigmaal niet meer dan een schaduw bij hem achter van zijn gevierde aanzien in de eigen kring, al weet hij ook, dat hij de ontoereikendheid van die strelende eer in Brabant, overliet aan de ogenblikken van eenzame snelle bewustwording. Met hoeveel beslistheid hij in zijn zakenleven wist toe te tasten, en hoe stevig besloten hij zijn weg daarin vooruitzag, (teruggeworpen door de rijksten daar in Nordlingen, goed, maar niet