‘Ik heb mijn vrienden niet bedrogen.’
‘Hebt ge erin geloofd?’
Fantin zag haar aan met ogen treuriger dan zij nog ooit van hem gezien had, en die wilden zeggen: ik moest het immers geloven, zoals wij allen het moesten. Zij zuchtte: er was geen oplossing.
Koud was een uur later hun zwijgen in ontnuchtering, toen zij op de weg een koets ontmoetten, waarin de rijke Aron uit Strassburg zat. Aron groette haastig en liet verder rijden. Hij wilde geen moeilijkheid meer met de armen; hij was bezet met zorg voor zijn leven en zijn vermogen. Al wisten zij dat de wereld voor hen geen herbergzaamheid had en dat ’s Her-togenbosch in het Brabantse of Gelre en Salland op de afstand van een mensenleven schenen te liggen, zij werden toch beiden beslopen door de hang naar hun punt van uitgang dat sinds een eeuw scheen losgelaten. Met dat veeleisende doel van de mens in zijn zwakke uren voor ogen hepen zij, tot de jongzomerse avond over de streek kwam koepelen en de huivering van de nacht een mengsel bij hen binnendreef van zoetheid en vrees. Zo vonden zij een dag een onbewoond huis aan de rand van een dorp. Zij aarzelden: was hier de Ziekte of de Jodenslachting? Overnachten moesten zij, en wel samen. Beangst, evenzeer jegens elkaar als voor het gevaar van Christenen en Pest klommen zij over de ladder naar een halfduistere zolder. Daar lag wat stro; zij legden hun bovenkleren af en strekten zich uit alsof het rusten ging worden. En daar lagen zij, in de volle moeilijkheid van mensen die de onoverkomelijke tegengesteldheid kennen van eikaars bezige verlangens. Hoe uitwendig verbonden, hoezeer innerlijk gescheiden. Fantin herleefde, binnen de blijvende beklemming door plaats en uur, heel het verloop van zijn verliefdheid sinds het ogenblik waarop hij haar in haar ouderlijke woning in Tiel had gezien. Hoe laat de mens de kansen van zijn geluk door de