‘En heeft hij het gemerkt?’
‘Neen, verontschuldigt u dat?’
‘Ge zijt geen domme man, Onkel. En werkelijk, ge zijt jonger dan hij.’
‘Is het niet goed dat een jonge: Rabbi de ernst van ons leven kent?’
‘Werkelijk, ge zijt jonger dan hij, Onkel Fantin.’
Bitter om die vleierij die hem geen baat brengt, zoekt hij opnieuw:
‘De kleinzoon van Rabbi Juda beviel u beter. Met zijn dwaze uitspraken. Ik heb het gezien.’
‘Hij was in elk geval werkelijk jong,’ antwoordde Rifke en voelde dat zij licht bloosde. Maar was dat niet om Fantins pijnlijkheid, nu er voor het eerst pas een wezenlijke voorkeur tussen hen kwam staan?
‘Even dwaas als zijn grootvader.’ Hij lacht erbij, zeker van zijn algemeen gewaardeerde verstandigheid.
Zij hield haar eerste antwoord in: nar, bedoelt ge, alweer een nar. En zei nog tot zijn nieuwe verbazing:
‘In zijn woorden was moed.’
Dan moet hij weer zwijgen, tegenover een ondoordringbaar raadsel. Duivels lijkt zij zo, met dat geslepen spel. En duivels is de kwelling van het geluk zo dichtbij te hebben en het zich altijd weer met een glimlach te zien verwijderen tot een onaantastbaar wezen. En dat nu, en hier, terwijl de dood elk ogenblik een eind kan maken aan smachting en weerstand beide. Ja, hoe is hen het leven nog mogelijk gebleken? En zoals Rifke al gezegd heeft: waarom zijn juist zij ontkomen? Zij durven geen stad binnengaan; waar geen moord is, ademt de Ziekte door de huizen en slaat duizenden in een ogenblik neer of in dodelijke zweren; zelfs als zij om de dorpen heentrekken, moeten zij vluchten voor de aanblik van paarse lijken, die de gang van hun bloed schijnt te remmen en hen tijden lang sprakeloos