‘Gij zoekt een volmaakte man.’
‘Zo volmaakt als mogelijk is. Anders dan Gij uw vrouw. . . ’ ‘Die u volmaakt gehoorzaamt,’ zegt Fantin ver boven zijn vroegere belangstellingen uit, en om haar treffende tegenzet te ontwijken.
‘Om elkaar te gehoorzamen, of die ik gehoorzamen kan.’ Hij is weer de oude: ‘Die ge zult doen geloven dat ge hem volgt, terwijl ge hem beveelt. Ge zijt geen Joods meisje.’
Elke dag, met klagelijke bitterheidjes waarin hij zijn mis-kendheid haar als een onrecht tracht voor te leggen, met pogingen tot zelfherstel en tot het herwinnen van het overwicht als hij zijn ervaring uitspeelt, hernieuwt zich het gevecht van verwijt, ontroerde liefkozing en afweer, te midden van die woestenij waardoor zij schichtig trekken naar het onzichtbaar doel van Vrede en veiligheid.
Rifke glimlacht als zij weer de afstand heeft moeten herstellen. Laat het zo zijn. J^aat Onkel Fantin het niet begrijpen, haar zelfzuchtig, redeloos, onhandelbaar vinden. Elk heeft van God zijn gedrag gekregen en zolang dat in onze ogen niet misdadig is, zal het wel goed zijn het zuiver te houden en te handhaven. Fantin blijft nog steeds verwonderd om het hare. Daar hebben zij Rabbi Mollins jongste zoon ontmoet aan de Rijn, de jonge Meester, die eens als ’Maharil’ beroemd zou zijn. Hij scheen pogingen te doen, Rifke het hof te maken, en Fantin begreep niet dat zij ook tegenover een jong schriftgeleerde wie een grote toekomst wacht, zo hooghartig afwijzend kon staan. Hoeveel Joodse meisjes zouden niet gelukkig zijn, zijn vrouw te mogen worden?
‘Ik ben vriendelijk geweest, Onkel.’
‘Gij hebt hem bespot.’