Rabbi Mollin wist dat allen moesten sterven, maar hij kwam te kort aan moed en vertrouwen om volledig duidelijk te zijn en zijn gemeenteleden in de verantwoordelijkheid van zijn daad te betrekken. De proppen, in olie gedrenkt, werden aangestoken met een brandende kaars, maar verborgen neergelegd. Onder geroep en angstgillen eerst, dan eindelijk bij het gezang van het grootste deel van de volwassenen die de Leider zijn terughouding met zelfkwelling deden betreuren, verbrandden nog tweehonderd wezens levend door eigen hand. Zij vluchtten eerst naar de hoeken, en trosten dan dicht tegen elkaar in het midden van het gebouw, waar het vuur rondom op hen aankroop. Op dat ogenblik wenkte voor velen de open poort van het Paradijs, de Hof Eden, waar de Engelen hen zouden ontvangen met een lang aangehouden jubel. De Joden van Mente zullen daar binnenga an; het gejuich om hun offe-ring zal klinken voor het nageslacht, in alle Eeuwigheid. Zij jammerden en zij zongen, zij zochten vergeefs uitweg of stierven krankzinnig, maar daarbuiten wachtte een dood die zij allen verwierpen. De houten huizen van de Jodenwijk stonden weldra in hoge knetterende vlammen vloed; het was de tweede keer dat Mainz na een overval op de Joden brandde; meer dan de helft van de stad stortte in onder de snelle sprongen van het bezettende vuur. En eer de Pest zijn vale kille tocht begon onder de burgers, en het vooruitzicht van de dood verblinding vond in de ontsporing van het vlees, liepen zij te hoop als onder een hemelse straf, innerlijk verpletterd door de zekerheid dat de God van de Joden hun marteldood gewroken had. Hij had de daders in de grote Ziekte en in ontworteling neergeslagen. Het lied dat de Joden tot hun verbijstering op de Brandstapel hadden gedanst en gezongen, kwam hen nu voor als een inleiding, en het neertuimelen van de klokken als een aanzegging tot deze vreselijke Vergelding.