werk konden voleinden, en blijkbaar had God zelfs een verstaanbaar Teken daartoe kenbaar gemaakt voor degenen die verantwoordelijk waren en om een Teken hadden gebeden. Want was dan die onstuimige knaap niet door God gezonden? Hoe dom was het van hen geweest dat zij dat niet dadelijk hadden begrepen, en hoe openbaarde zich tegelijkertijd weer Gods ondoorgrondelijke Wijsheid, waarin Hij hen had belet, het dadelijk te begrijpen opdat zij als kleine mensen zouden handelen en daarmee de knaap tot het afgeven van zijn branders prikkelen. Die zou hij immers niet hebben afgestaan wanneer zij gezegd hadden: ga en werp uw wapens in de huizen van de Christenen. Droeg hij niet in houding en blik de huiveringwekkende hartstocht die niet van mensen is, van een opdracht die niet van mensen kon komen? En hoezeer is deze redding zelf een daad van God, een aanwijzing en een bemoediging, nu de middelen hen in de hand zijn gedrukt. Het vermoeden omtrent de herkomst van de knaap werd weldra een zekerheid, Rabbi Mollin en Mendel raakten er in opwinding van: vreemd was het optreden van de knaap geweest; zonder verweer had hij zijn wonderlijk bezit waarop zij wachtten, in hun handen gegeven, als het afdoen van een opdracht waartoe zij eerst onwillig waren geweest. Zijn felle blikken schenen hun nu toe, en wel steeds meer, ongewone gloed en boodschappende zin te hebben uitgestraald, en de buitenaardse geest van zijn verschijning werd eindelijk afgerond door de woorden van de jonge Simon, toen die, geschrokken door zijn eigen ontdekking, tot de anderen uitstiet:
‘Hij kwam uit Worms!’
De hoofden van de beide Rabanniem deinsden een eind terug, hun wijde ogen vroegen om meer.
‘De knaap uit Worms!’ stiet Simon hijgend uit.
Met diepe zucht, bevestigend tot Mendel, herhaalde Rabbi Mollin: