de in laatste pijnen weggestorven offers van het feest. Het duurde een uur, eer allen, op de vertrapten na, dat veld van gulzig genot en nachtdroomverschrikking leeg hadden achtergelaten. Alleen twee levende wezens bleven nog bezig bij het nasmeulende takkenveld. De monnik die tegen zijn God in naijver was geraakt, droeg nog steeds bundels hout aan en smeet ze wezenloos, als in een tunnel voor hem alleen en die alles buiten hem onzichtbaar maakte, op de vergane Joden. Hij had eenmaal gelachen om de angst-bezetenheid van het volk, die hij niet begreep omdat het toch van zijn zonde niet kon weten waartegen die donderslagen immers een hemels vermaan waren geweest. Hij sjouwde hout aan en mikte het naar de bezweken Joden die daar tussen gloedjes en witte as, met geschonden gezichten, brokken schoen en verminkte handen als op een verbrande bosbodem lagen: door kinderen toegetakelde poppen. Hij lei zijn vracht soms voorzichtig neer alsof de gestorven vrouwen of kleine meisjes het niet mochten merken. Een knaap van vijftien kwam pal voor de vuurberg staan en begon zich zelf te ontkleden; de monnik drukte een vinger op de mond om stilte, en lachte toen. Hij ging zijn nieuwe last halen en trok tot de knaap met een nieuw lachje de schouders op alsof er een geheim tussen hen was; en de jongen stapte tot vlakbij de verkoolde lichamen met nog te onderscheiden uitgeputte gezichten, en urineerde daarop, met een gezicht opgeblazen van voldoening, alsof hij heel het gebeurde van het uitgangspunt af o pnam in zijn wil en hij alleen de grote Daad voltrokken had en bezegeld. Toen hij bezig was, zich nog verder te ontkleden, kwam een late Flagellant, die eerst had toegekeken en gelachen, op hem toe en schopte hem in de modder. De monnik die met verdwaasd ernstige trekken aan het sjouwen bleef, werd door vier Kloosterbroeders weggehaald en in een dwangbuis gesloten; hij stierf krankzinnig.
JJehalve de schriftgeleerden, Fantin en Rifke en nog een