ogenblik dansten zeshonderd voeten bij lachende gezichten, en zongen de kelen van vrouwen en mannen in een klimmende triomf die voor het volk verbijsterend was en ontstellend voor de Geselbroeders. De stilte van de toeschouwers verdiepte zich nog, duizenden ogenparen zagen elkaar vragend aan, maar er kon geen geluid van een antwoord zijn, de vreugde van de Joden was angstwekkend. En zo, terwijl de opening naar het vuurveld voor de Joden de enige uitweg was en de achterste rijen werden opgedrongen, gingen zij dansend en zingend de vlammen in, waar zij struikelden en zich weer oprichtten en de eerste pijnen verbeten in hun samenwil tot hooghartige afweer. Weldra zagen zij geen Christenen meer; zij zagen alleen elkaar, ja zelfs nauwelijks de kinderen, waarvan er velen als eersten op het brandende hout waren geduwd uit vrees voor wegvoering en doop. Een enkele gil spoot uit hun midden op, van de eerste pijnverrassing, maar het grote koor juichte daaroverheen, terwijl het vuur kleren en vlees greep, en dat zengen en bijten de trots en de wil tot overwinnen opdreef tot de grens van uitzinnigheid, zodat het zingen hier en daar de gebrokenheid kreeg van het huilen. In de Kerk was men de klokken gaan luiden, sommigen beweerden voor een iets verlaat Angelus, anderen: om de Joden te overstemmen. De knechten en monniken sleepten hout aan en smeten het tussen de Joden en over hen heen; er was een klein ongelukje: een kind werd in de vlammen geboren, het stierf zonder zuigeling te zijn geweest als een bevestiging van de latere Leer, dat de mens in zonde ten leven komt. Alles kwam nu langzaam in meer beweiging naarmate het zingend gerucht verstilde: Christenen drongen naar voren en hielpen met de takkebossen of schopten ze in een onnozele medewerking een eindje op de vuurberg; er waren er die daarin spuwden uit woede tegen dat leven dat met zoveel laatste uittartende kracht over hen opstond en hun de zelfverzekerd-