dat hun Rabbijnen een lofspreuk hebben vast gesteld voor dat ogenblik, voor wie ten onder gaan ‘ter heiliging van Gods naam.’ Daarom zullen Gods helpers hun zielen omhoog dragen, van allen, hun wezenlijkheid waarmee zij geleefd, geworsteld hebben en gestreefd naar de bescheiden eenheid met hun God. En het nageslacht zal hen eren en bevrijden, en hun namen, ja hun namen, uitspreken met bevend ontzag. En daarom, in die verheffing die de Christenen met hun blinde ver-werpings-razernij onwetend in hen ontstaken, daarom begon dat schouwspel zich in te zetten, waarvan de leesmeester bij de Dominicanen van de stad Minden in zijn Kroniek schreef: ‘Vrolijk, ja al dansende gingen zij in den dood/
Want midden in de stoet Joden begon daar iemand met uitdagende verrukking in de stem te zingen, en danste daarbij met korte voeten verzetting zonder van zijn plaats te komen, het lied van de Vreugde der Wet, waarbij de Wetsrol wordt rondgedragen:
‘Juicht en verblijdt u, op Vreugde der Wet.
Komen zal hij, de Messias, op Vreugde der Wet. . . ’
Het was niet moeilijk voor hem, het antwoord te ontvangen dat hij vroeg. Die gelukkige bezetenheid om de overwinnende en onoverwinnelijke zelfbevestiging sloeg in al die hoofden en kelen dadelijk de klank aan die daar al wachtte. Woorden van een toespraak waren niet nodig om hen tot instemming te voeren met hun triomf over deze algehele verguizing. Het lied met zijn simpele tekst was toereikend, de herinnering aan het ogenblik zelf van het Thorafeest in de Synagoge, als alle vrees en bekommernis wordt weggeschoven en de verbondenheid wordt gevierd met de Kern-Geest van hun grote zwervende bestaan, dat wat blijft en alles zuiverend doorlicht, de beweging van alle leven zelf, de zin van hemel, aarde en alle menselijke bemoeienis, van woord en klank en beeld en edelste daden, en de vreugde om dat alles die niet vergaan kan. In een