volle stilte van een zeldzame Verwachting, het zwijgen van alle bijkomstigheid, en van alles wat te voren was, van alles van vroeger, toen dit ogenblik nog niet met de berstende vervulling van onverstane dromen was komen aandragen, als met een geschenk dat de harten deed sidderen. Wijds en overstelpend was het Geschenk, voor velen onbevattelijk groot: in honderden monden klapperden de tanden, ogen sperden wijd in andere ogen, toen die duizend offers naderden voor het Heidense vuur dat zij voor Christelijk hielden, en dat daarom des te gruwelijker, te geheimzinniger en te schokkender voor hen was. Schreeuwen van overladenheid begonnen uit dichte strotten te breken, vrouwen en ook mannen sloegen in flauwten neer, en op drie plaatsen in de geslotenheid van de massa werd iemand krankzinnig. Uit vrees voor de kwade geesten tot aller zuchtende geruststelling en bevrediging, werden zij met vuisten en voeten doodgeslagen, zij vingen de eerste spuitende stralen op van de schuimende krachtenbron die overstroomd stond. Al die uiterste opwinding, zoveel scherper dan de beurse bewogenheden bij de Kerkdiensten, wierp ook de laatste kuisheidsremmen omver en deed de zinnen tot grove wellust zwellen: mannen en vrouwen drongen tegen elkaar en woelden, in het droesemig lustplezier van een zeldzame buitenkans, in de kleren naar elkaar’s dronken geworden vlees. Pas toen de menigte uiteen week om de offers door te laten, zagen de Joden in onbetwijfelbare zekerheid wat zij tegemoet gingen. De geur van brandend boomhout had in hun laatste samenpersing van alle levenswil niet kunnen doordringen; nu stonden zij voor het enorme vuurveld, dat in een hoek van de Kerk zijn vlammenafsluiting had; de volop brandende takken-partijen spoorden de verse delen aan tot een ongewone wierookzuil naar de toren. Snel en verschietend maar tot een bewustmaking als moest er een herinnering van geborgen worden, deed zich de stand van de wereld rondom voor het