van te velen boog de nog niet vernielde deuren tot knappend breken en uit de hengsels barsten, tot in elke woning, bij elk gezin, twintig tot vijftig Christenen toe, om de ademloze Joden heen stonden. Als beelden zo weerloos stonden de Joden, mannen, vrouwen, kinderen, toen voor hun ogen de etenskasten werden geopend en de invallers brood en vlees namen en aten alsof zij huisgenoten waren. En als van poppen stonden de hoofden van de vrouwen en meisjes, afgewend van de handen die de sieraden onder de kinnen weg van de halzen loshaakten en de armbanden van de polsen schoven. Alleen toen de oorringen werden losgerukt, schreiden enkele meisjes op van de pijn terwijl anderen zich daarbij de lippen stukbeten; de wildsten onder het volk moesten door hun rotgenoten worden teruggehouden opdat zij niet hun begerige blikken zouden volgen en over de vrouwen heen vallen. De slimsten begrepen dat het een bloedbad in de kamers zou worden, en het programma wilde het anders. Daarom werd er tot orde bevolen en begonnen met alle bewoners aan te grijpen en naar de straat te slepen. Onder het gegil van kinderen en vrouwen en het verzettende roepen van de mannenstemmen werd al wat daarbinnen had zitten tandenklapperen, tussen zo dichte rijen ingesloten, dat handwerkers en Geselaars langs de muren gedrongen moesten voortschuifelen. En de korte optocht begon, waarin de stilte nu viel, als het zwijgen van de dood bij de Joden, als de wellust van de triomf belofte bij de Christenen. Vooral de witte kledij met de kruisen, de volop doods vijandige wijdingspraal, waartoe hier en daar nog een meegedragen vaandel een hoogmoedige voltooiing boven de duizenden koppen zette, was angstwekkend voor de Joden. Zelfs het ‘ik heb het wel geweten’ werd nu niet vernomen. De ijdelste monden waren stom; in alle gedachten lag het verleden als een nevel, en alle inzicht stond daarin verworpen als nietigheid tegenover het geweld. Geen kind vraagt wat er gaande is: het weet dat