‘Ja! Ja! Niet verder! Nu naar de Joden!’ Zij konden tot het einde van de dienst niet wachten. En het leger van de Flagellanten stormde achter het volk van Mente de sidderende Jodenwijk binnen. Het geschreeuw vulde de ruimte en scheen de lucht te scheuren, en binnen enkele ogenblikken na het bijeengedrongen voortsnellen van die woeste kudde die de afstand scheen in te slikken en voor wie de straat te nauw was, beukten het kletterende wapentuig en knotsen en bijlen deuren en vensters aan neerstortende? repen. Hier was het Kwaad, het middelpunt van al hun kwellingen, het geld, de misbruikte macht over hun leven. Zo meenden de armen en velen schreeuwden ‘Honger!’ zodat door de doodsverwachting heen van de Joden daarbinnen nog een breukje sloeg van verwondering, spot en verachting. Maar het was of een hoge zondvloed in enkele minuten de kleine maar topzwaar bevolkte wijk opzoog in zijn zeldzame overmacht. Wat van de Joden niet snel in de huizen was gevlucht, w^erd neergerammeid en doorstoken en lag nog verrast te sterven en vertrapt. Rabbi Mollins zoon Jekutiël en de kwieke Heilman die gewapend waren, sloegen een ogenblik om zich heen, omdat vluchten niet mogelijk en nutteloos was; zij vielen weldra, gestoken, gehouwen en geknuppeld, door zoveel vijanden als hen maar omringen konden, met diepe wonden aan alle kanten van hun lichamen en gespleten schedels, overdadig verminkt, tussen de vale lijken van de vroeger gedode Christenen. Josbel en Goldknopf was het lot van de velen bereid, want het vuur was in zwang, en het was geer. ogenblik het plan van de Mentenaren geweest, een minder grootse dag te beleven dan de bevolking van Strassburg, Worms, Speyer of van de vele andere belangrijke steden; die hadden met hun enorme brandstapels een galm van bemoediging en zelfverheffing aan de oren van het Duitse volk doen spelen.
‘Naar buiten met alles 1’ werd geschreeuwd, en het gedrang