Intussen was een grote stoet van Geselbroeders de opwinding van het volk van Mente tot haar uiterste daad-nood komen drijven, met het ontzag voor hun rijke vaandels, hun Kerkelijke beïnvloeding door witte kleren en rode kruisen, hun uiterlijke tucht en het openscheuren van de arme verbeelding door de galmende voordracht van wonderverhalen en wonderliederen. ‘Nu treden aan, wie boete willen Laat dan de stem van ’t Kwaad verstillen, Ontvlieden wij de hete Helle Lucifer is een boos gezelle,
Zijn wens dat hij ten val ons brengt,
Tot loon ons met zijn pek verzengt.’
Het slot van het stamelende en daverende spel wees ook hier de weg, die de enige bevrijding kon brengen voor zoveel uit de schuilhoeken gejaagde daden wil:
‘O gij zeer arm geslacht! Gij weet dat ik aan dat helse volk, de Joden. . . ’
Die uitspraak die van Christus heette te zijn, werd overal gelezen. Maar vandaag in Men te kreeg zij wel een ongewoon prangende nadruk. Want was daar niet de tergende boodschap gekomen van wat daar gebeurd was in de wijk van de Joden? Daar kwamen vreedzame Christenen hun straat langs en werden eenvoudig door de Joden overvallen en koelbloedig vermoord! De Pest bleef hen zeker te lang uit, de Christenen moesten sterven! Neen, het behoorde niet tot de voorschriften van de Geselbroeders, om Joden aan te raken. Maar mocht dit Godschennende kwaad ongehinderd voortgaan? Moesten zij het volk van Mente niet tegen de Joden te hulp komen?
Brullend en loeiend golfde uit duizenden zwellende kelen het antwoord: