De gouden kroon van Beieren

Titel
De gouden kroon van Beieren

Jaar
1952

Pagina's
304



bitterheid die genezing zocht, Falk het stalen wapen in het lichaam. Zij liet het in hem zitten, zij liep achterwaarts terug, naar Fantin, en zag zo Falk achterover bonzen. Nooit vergat zij het asgrauw van dat verschrikte en verwrongen gezicht, dat haar toescheen een bestemming te hebben gekregen. Falk die Rifke daar niet had verwacht en nog minder meende te hoeven vrezen, was door de doodbinnenbrengende pijn tot zijn geboorte-werkelijkheid teruggestoten. En geen Jood hoorde het, hoe hij, terwijl alles van zijn giftige vergeldingsspel naar een onzichtbare horizon uit hem was weggegleden — daar op zijn éne arm lag en rochelend zijn belijdenis mompelde:

‘Hoor Israël, de Eeuwige onze God, is Enig en Eeuwig.’

Fantins ontsteltenis waarin hij was komen toelopen, keerde in triomfantelijke tederheid, toen Rifke, nog dichtbij de stervende Falk, uitgeput tegen hem aanviel.

‘De mijne,’ dacht hij, ‘zij is de mijne.’ En hij zei: ‘Kom, nu vluchten! Rifke! Liefste! Liefste kind van mij! Onze nonnenen monnikskleren, snel!’

Hij wist niet dat die toon haai* tot bewustzijn van hun betrekking bracht. Maar ook van de juistheid van zijn raad. In weinig ogenblikken tijds liepen zij vermomd achter de straat om naar de Rijn, en ontkwamen.

De jonge vreemdeling liep nog altijd rond met zijn daad als met een pijn die niet wilde wijken. En met spijt dat hij zich zijn branders afhandig had laten maken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt met OCR (Optical Character Recognition).
Deze techniek levert geen 100% correct resultaat op. Dat betekent dat er onjuiste tekens in de tekst kunnen voorkomen.


Weergave
Afbeelding / Tekst (OCR)

Alle boeken in deze digitale bibliotheek kunt u gratis lezen of downloaden. Met een vrijwillige donatie helpt u ons met het in stand houden en verder uitbreiden van de bibliotheek. Klik hier als u een bijdrage wilt overmaken.