voor straf die van zijn Joodse God toch nog mogelijk bleef. Hij stond met open mond, in een verknepen lach, en met een blik die scheen te loeren naar de uitwerking van zijn aanwezigheid: vergiffenis kon komen; haat kon er zijn; onverschilligheid vreesde hij het meest. En toch wist hij dat niemand hem daar kende, maar was hij niet een Jood en zou een van die allen aan zijn verschijning twijfelen? Dit was de Kehilla Mainz, en hij hoorde daar half thuis, en zo stond hij daar ook. Dat hij vijand was geworden, dat was omdat zij hem haatten en hij zich op die haat gewroken had, Rifke zag later vele malen die half weggehouden gestalte en dat hoofd met verwrongen lach van onzekerheid vóór zich, en wist nooit of zij niet gezondigd had. Maar op dat ogenblik steigerde de bittere toorn en de afschuw in haar op, en stolde en bevroor tot een bijna ontzinnen-de wil. Wel, was het niet of daar de enige Vijand stond? Hij is het die vriend is geworden van de moordbereiders, ja die in Worms de Gemeente voor haar ogen, in haar midden, slinks bedreigde met de verscheurende dieren die hij als zijn vertrouwden voorstelde, als er niet snel voor hem en zijn boeleer-ster veel geld werd afgegeven. Hij heeft zich durven voegen bij de verbranders van Ozia, van Susman, van Mayr, en misschien ook van de jonge dichterlijke Simeon. Het moet uit zijn met u, heer Reb Falk, het is genoeg, Reb Willebrord, ik heb gezien hoe vals onderdanig ge u hebt gekronkeld tegenover die Priester, bij wie ge mij gebracht hebt om de Rozenkrans te leren. Dat alles bliksemde door haar gekwelde, getergde brein, en bracht haar tot snelle beweging. Jong was zij, en lenig, en vol veerkracht. Het was geen dans die zij daar vertoonde, over een paar gedode Christenen heen, langs pieken, spietsen en dolken die daar nog in de droge modder lagen, maar het leek erop. Een van die lange spietsen raapte zij snel op, en met sprongen van een wilde kat suisde zij de enkele meters van de afstand naar Falk in die ruimte en stiet met de kracht van al haar