hem, maar toch door hem in beweging gebracht; de jonge man keerde aan het eind van de straat terug; met dezelfde overlast van ongebruikte kracht blikte hij rond, zonder een steunpunt te ontmoeten. Maar het meisje wist dat ook zij, onder de beheerste volheid van haar nood, een daad zocht, om haar saamhorigheid te belijden en het leven te verdienen met ook haar teken te zetten in de gang van deze wijde wanorde, waarvan zij, al was het ook op een enkel punt maar, bij haar tastend graven naar de gronden, ook weer een orde vermoedde.
Het lot had haar daad haar toegedacht, het had de deelgenoot daartoe op de hoek van de Jodenstraat voor haar neergezet, en het was of zij het begreep: Gods hand, sprak het snel in haar zich voortreppende gedachten. Het scheen onvoorzichtig van Reb Willebrord Petrus Falk, zich daar te vertonen; maar hij kon niet anders. Hij moest daar staan, en wel zo dat Rifke hem zou zien, en wel zo dat hij haar moest uitnodigen tot haar daad. Achter de Geselaars mee naar Men te getrokken om, eenmaal in de wereld van de Christenen gegleden, het kil-hete avontuur te beleven en ook de streling van zijn uitzonderlijke staat van gedoopte, bekeerde, half verworpen half geëerd, had hij de grote stroom naar de Jodenwijk die nog volgen moest, niet afgewacht en kon zijn nieuwsgierigheid niet meester worden, die hem naar deze nog niet bekende maar vermaarde Gemeente dreef. Hij had geen moed, de grote moord bij te wonen; een stem enkel met klank waarschuwde hem dat een ineenstorting van al zijn plannen en verwachtingen hem daarbij zou kunnen overvallen. En dus stond hij daar, om de hoek van het laatste huis gebogen, de straat in te kijken, zijn hoofd en schouders bij de Joden, zijn lichaam en benen daarbuiten. Verdekt, in zijn duistere ongewisheid, zo vol verwardheid als elke Jood en Christen, wraakzuchtig, honend, en nieuwsgierig, met de voldoening als prikkelende maar niet voedende spijs voor zijn wrokkigheden, met vrees