spelde en ieder werd geloofd. Kroniekschrijvers die in de stilte van cel en Kloostertuin hun met regelmaat van plichten bezette gedachten onbevlogen konden houden, vermeldden, zonder vrees voor heiligschennis, met geschoktheid die dodendans van de menselijke rede; alles was nutteloos.
Nog lag hier de straat, na het gillend rumoer van de slag, vrijwel verstild om het geladen zwijgen heen van de tientallen die niet in ontdaanheid hun huizen waren binnengerend; de lichamen van de gedode of stervende Christenen had niemand durven aanraken; die van de Joden had men sidderend weggesleept en in radeloosheid bij de Synagoge neer gelegd. Zo stil was nog de straat, dat de geringe opschudding door het verwijderen van de jonge vreemdeling uit de Synagoge de hoofden een ogenblik daarheen trok. Rifke, opvallend door haar prachtige verbleekte en in spanning staande masker, zag de woedende knaap op zich afstormen en met geheven hoofd voor zich halt houden.
‘Zij willen niets!’ beet hij haar toe.
Rifke zag hem versomberd aan. Zij neeg een hoofdbeweging naar de straat. ‘Is dat niets? Die hebben hun plicht gedaan.’ ‘Ik heb gevraagd, daar bij die slapers, de stad in brand te gooien, als men ons allen laat ombrengen. Zij willen niets. Geen enkele daad. Ik wil een daad!’
‘Niet elke daad is goed,’ weerstreefde Rifke zichzelf. Ja, zou zij niet ieder willen doden die haar het leven misgunt of laat misgunnen? Zij zag voor zich heen. ‘Ge hebt gelijk,’ overwon zij haar zucht tot tegenspreken, omdat zijn opwinding haar voorzichtig stemde. ‘Neem een wapen en ga met de anderen die liever vechten. Ge hebt gelijk.’
Hij wendde zich af, alsof hij geen volle instemming kon verwachten, en liep snel van haar weg, zonder te hebben durven bekennen dat hij zijn wapens had afgegeven.
Rifke liep hem na, zonder plan tot verdere aanraking met