kwam, op Rabbi Mollins bevel, een sterke groep mannen hem uit de Synagoge drijven, niet alleen uit vrees voor verraad, meer nog uit angst voor zijn oprechte toorn die tot daad zou kunnen komen. Maar tot vei borgen ontzetting van de zoon hadden de beide ouderen blikken gewisseld waarin zij naar hij vreesde te begrijpen, elkaar te kennen gaven dat de onberaden vreemdeling hun nog niet ten volle uitgesproken voornemen tot een nabije daad had gemaakt. ‘De onwil te overwinnen,’ sprak Rabbi Mendel met bijna gesloten mond tot Mollin, ‘dat zal de grote moeilijkheid zijn. Maar God wil het. En Hij zal ons ook helpen/
Rabbi Mollin knikte, en dat betekende behalve de instemming met Mendels verklaring van Mollins plan, ook nog de vergiffenis van diens ernstig vergrijp met de zenuwzwakke boekbinder.
De menigte wist nog niet wat zij drieën hadden vernomen: dat, behalve de slachtingen in de kleine plaatsen en dorpen, in Worms, zo dichtbij, juist vierhonderd Joodse levens op de brandende takkenbossen hadden moeten eindigen.
Toen Rifke ook die ramp van Worms vernam, was ook zij bitter geworden om de aanmatiging waarmee de Christenen zich gedroegen. Met verstrakte trekken en flauwe ogen van een beslotenheid die nog vorm moest krijgen, zei ze tot Fantin: ‘Nu is het goed, dat wij hier te laat waren voor de vlucht.’ ‘Ge wilt toch leven, hebt ge gezegd?’
‘Ik wil leven. Ik wil niet nutteloos sterven.’
‘En nu?’
‘Leven wil ik nog. Dat willen wij allen, maar ik wil niet laf zijn.’
Zij zag met gesluierde wildheid in haar ogen rond. Dat alles kan niet meer en niet steeds zonder opstand aanvaard worden. Nog zo kort geleden heeft zij afscheid genomen van die