dan menig Rabbijn met grote woorden en nog groter vergrijpen. Nu is alles stil; de olie en de handel in tien stappen met de Thorarol zijn vergeten. Alleen die jonge Jood, een vreemdeling waarschijnlijk, staat al een tijdlang met voorovergebogen lichaam en een donker gezicht vol kinderlijk ongeduld op een te oneerbiedig geringe afstand naar hem op te zien. Mendel en Simon hebben al enkele keren naar hem omgekeken en hun kleine kring weer gesloten, zonder een woord, nu zij Rabbi Mollin zo in stille zorgelijke bezigheid zagen. Maar de wildeman week niet, en greep toe.
‘Rabanniem!’ riep hij, en stond ook al bij hen en overrompelde hun verrassing en hun afweer met zijn verbluffend voorstel zonder een woord van inleiding. ‘Men moet het Stadsbestuur laten weten dat de stad zal branden als men ons niet beschermt I Ik kan branders maken/ stiet hij in één adem verder in hun onthutste maar nochtans luisterende gezichten, ‘branders, die de vechters in de burchten slingeren en die alles in vlammen zetten. Ik kan ze goed maken I Men moet ze in de huizen werpen, als men ons zo laat slachten I’
Hij had alles gezegd, hij wachtte, eisend, op antwoord. Hij kreeg het niet anders dan in Reb Mendels vraag: ‘Zijt ge uit Mainz?’ Want toen hij met een hoofdbeweging ontkende en aarzelend zei: ‘Uit Worms/ keerden de drie hem de ruggen toe zo dicht bijeen dat hij de schouders ophaalde en zich wanhopig afwendde. Maar opeens vroeg Mollin nog:
‘Hebt gij die branders?’
‘Ik heb er twee,’ hijgde hij.
Rabbi Mollin stak zijn hand uit.
‘Wij zullen het doen,’ zei hij.
De knaap lei met bezwijkende tegenzin een grote doekprop in Rabbi Mollins handen, zichtbaar van olie doortrokken.
‘Ga nu,’ zei Rabbi Mollin. Vreemdeling was de knaap, anders welkom, vandaag gewantrouwd. Een ogenblik later