gevoel van verraad. Giftig, soms gillend en brullend verweer van de verwonde Joden in de laatste krachten; wanhoop van verwarring, armenheffen en handenwringen bij de uit hun huizen gelopen toeschouwers die niet wisten de vechters te moeten beschuldigen of beschreien. Hoezeer ook bekend door de vele over geleverde verslagen, mondeling en uit sommige Joodse Kronieken, het bloed, de noodkreten en de kreun-roepen van de neervallenden waren een gruwel zoals geen Joodse man of vrouw of ook achteruitgedrongen kind zich ooit had kunnen denken, en bij honderden brak het besef dat dit einde hun voorbeeld was, uit in een doffe schreeuw die de overgave scheen aan de dood. Een deel van de Joden uit de straat stroomde dan ook in één vluchtbeweging naar de Synagoge. Daar, in de allereerste kalmering van de ontsteltenis, kwam pas het overzicht van de nood in al die trillende menselijke wezens tot werkzame wanhoop. Onder de bewustwording van de verschrikking legde zich de luidruchtigheid, en het moeitevolle leven met zijn vele angsten en ontoereikendheden leek een heerlijk bestaan dat hen nu ontgleed en zich door de onafwendbare ondergang liet vervangen. Allen schenen zij gelijk geworden onder die stolp van angst die hen omsloot: de milden onder de Rabanniem en de zondezoekers tussen hen; de gulzige geldschieters, vrekken en vrolijke geefsen, de lichtvaardige gokkers, de kalme handwerkers, de eeuwig hoopvolle en blijmoedige scharrelaars, de verhitte lasteraars, de sussers en de rebellen. De meeste volwassenen voelden hun radeloze begaanheid cirkelen om de kinderen heen, die met even vertrokken gezichten stonden, zonder een kik over dat raadsel van de reddeloosheid bij de volwassenen. De moeders waagden om de hoek van haar benardheid een terugblik op haar zorgen: dankbaar waren zij geweest dat zij de kleinen al zolang hadden mogen houden, dat geen val, geen dodelijke ziekte, geen verstikking in een been of graat ze van haar had weggegrepen.