stormd, en dat de Joden, opgesloten in hun huizen, zichzelf hadden verbrand en een groot deel van de stad daarbij tot puinhoop was geworden. Zij verzwegen het gezamenlijk, en daarbij, dat de Stad Frankfort van die gedeelde nood een onbetwiste deugd had overgehouden: zij kocht voor twintig duizend Mark zilver, van de Joden bij dat hete toeval geërfd, het recht op de Messe van Keizer Karei terug, dat Mente Frankfort tevoren had ontfutseld. De vechtensgerede partij in Mainz groeide tot drie honderd man, en het was dan ook geen tien tellen na het begin van het nog maar verkennend binnenkomen van de Christenen in de Jodenstraten, dat die driehonderd gewapenden uit hun woningen snelden en de nog kleine kop van de vijandelijke massa na een bloedig handgemeen op de vlucht joeg. Het was de ochtend na het Paasfeest; de viering van het Pesach hield nog het warme verband van de dagen en avondvieringen bij allen gesloten. Waar de stomme verslagenheid geplet had, stond de hete toorn daar tegenover, en de wildheid van de Joodse vechters kon niet getemperd worden door de angstkreten die tegen de lage houten huizen op- en af klommen, om hen te weerhouden. In weerwil van het redeloos bezwerend geschreeuw van ouderen, vrouwen en moedelozen tegen dat verweer dat naar zij, zonder rede of wil geraakt, meenden, hun laatste levenskans zou wegvagen, stonden toch de aanvallers geschrokken van die tegenstand en hadden zoveel tijd nodig zich daarmee vertrouwd te maken dat velen neergeslagen en doorstoken waren, eer de werkelijke overval kwam opzetten die de beslissing zou brengen. Allen, Christenen zowel als Joden, in die botsing die bijna een misverstand kon heten en door de teruggeslageiien dan ook als een Joodse aanval werd uitgelegd, hadden zij de schrik en het spijtgevoel om het onverwachte, wanneer mes of bijl ingewand of hoofd kwam splijten en het leven, dat aller doel was, onder dat bewustzijn ineenkromp en wegstroomde in een laatste