ten, zo zei de Rabbi, en die vooral getekend waren door een machteloze spot met alle leven en levens vertrouwen, zouden om de gestoorde heen zweven en wentelen en hem zo bestoken .zonder dat enig doel van die teistering begrijpelijk werd. De dwaas, die dadelijk alles zag wat hem werd toegefluisterd, had toen lang achtereen een gebroken angstlach uitgestoten, en dat was heel en al de bevriezende muziek van Rabbi Mendels eigen diepste chaos van radeloosheid. Met de man alleen in zijn studeervertrek, kon hij hem tegenhouden, toen die, in het gruwelijk gezicht van zijn denkbeeldige kwellers, met het hoofd vooruit tegen de muur wilde rennen. Pas daarop was hij, op Rabbi Mendels niet aflatend aansporen, hortend en stotend begonnen te spreken. Hoe weinig verrassend het visioen kon zijn dat hij meedeelde, stond Rabbi Mendel toch doodsbleek tegenover de verschijning van die werkelijkheid die zij allen met hun blikken ontweken. Want nu kreeg de jacht van die guichelende en hovaardig spottende of ook wel vermaakt honende gestalten die de ziekte omwaaiden, meer zin, omdat hij ook aan zijn horizon nu de oorzaak zag van dat plezier: brand had hij gezien, alle bene Jisroyl, alle kinderen Israels, zei hij, duizenden en duizenden, dicht-bedrongen en worstelend en tegedijk dansend in de vlammen gevangen, op een groot veld, tot: de einder toe. Zingen zag hij de monden, en schreeuwen, en bloedspuwen, en dat alles alsof het zonder pijnen ging, alsof het een wijde dienstbezig-heid was die hem was opgelegd en die zij ijverig volvoerden. De zieke, uitgeput toen hij het huis van de Rabbi achter zich liet, sprak niet meer over die ervaring als van een tweede zelf; hij poogde de verontrusting af te schudden maar kon die weldra alleen maar in de som van de algemene verschrikking verliezen. Maar Rabbi Mendel kon niet zwijgen. Hij mompelde het tot zijn ambtgenoten Goldknopf en Josbel. Die slikten de herinnering weg, dat Talmud, Mischna en andere bekende