in woede. Zij kochten messen, zij sneden zich stokken, zij zamelden bijlen in, zij haalden zwaarden en spietsen te voorschijn die hij hen beleend lagen; zij hadden het gevoel te zullen stikken in smartelijke toornigheid. En zij waren van de Christelijke plannen zeker; niet alleen dat het diegenen waren die de moed bezaten, hun Gemeente een plaats te geven in de rij van de verdwijnende gemeenschappen waartegen de Christen-menigten zich aan het werk hadden gezet. Maar de zwakste onder de Rabbijnenbroeders, Rabbi Mendel, het zwaarst aangetast door het bijgeloof uit het ‘Boek der Vromen/ had ook nog tot verontwaardiging van zijn mede-leiders een man tot voorspelling van hun ondergang gedreven. Hij had bij een zenuwgestoorde die zonder enige grond over zijn vrouw en kinderen kwam klagen, en in duistere verwarring sprak, een profetisch Gezicht gewekt, zoals hij het noemde. Het was een boekbinder, arm, want in die dagen werden weinig geschriften besteld. Maar zijn zucht, de raadselen binnen te gaan van de weinige boekwerken die in zijn handen waren gekomen, had hem vaak zich doen afmatten, de duistere gedachtenloop daarvan te grijpen en te volgen. De puntige dwaasheid had hem bezet van de vreemdeling in het gedachtenleven, die de onbeantwoordbare Sfinxen naar plaatsen en in taken verschuift, waar zij ontstellen als zij niet doen lachen; hij liep alsof hij gekleed was met brokken kleding van allerlei denkers en pogers; hij nam zijn wartaal ernstig, en hoewel het geen werkelijk ernstig wezen kon hinderen, zag de uit zijn grondslag losgegleden Rabbi Mendel een werktuig in hem, waarmee de zichtbare, beeldende belering van geheimen te beleven zou zijn. Hij had, na de boekbinder een tijdlang te hebben aangehoord, met allerlei Demonennamen en toverij door middel van zinloze symbolen en vergelijkingen zijn sluimerende angstverbeel-dingen blootgelegd en tot werkzaamheid gebracht. Huiveringwekkende geesten, dieren met verwrongen menselijke gestal