Want na de eerste Kruistocht zou Mainz nu voor de tweede maal branden. Toen had een Schriftgeleerde zijn dochter uit de wereld van moordenaars en verkrachters gered met haar te onthalzen en daarna zijn houten woning met zichzelf in de vlammen te zetten, die geen huis in de stad meer buiten hun greep lieten. Nu was het, behalve de verarming van het volk, ook de Pest die de menigte op de Joden dreef. Evenals in Frankenland waren ook hier Geestelijkheid, adel en de verlichte kringen van de Poorters overtuigd dat de beschuldiging belachelijk was, als zouden de Joden de bronnen vergiftigd hebben. Maar ook de Stadsraad van Mainz was radeloos tegenover volksopstand en aanstromende Pest die overal na de Jodenmoorden zijn dodelijke vergiftiging in de honderdduizenden tijdgenoten blies, en rebellen en bedaarde burgers met hun gespaarde Joodse prooi in enkele dagen of uren tijds het leven uitvrat. Verdenking genoeg in de volkomen onwetendheid van de massa’s en in de onderlinge vijandschap: de rijken in hun dikke schuldigheid verdachten er de armen van, hen uit wrok de grote ziekte te hebben uitbetaald; het volk geloofde dat de rijken de wereld voor zich wilden houden en de nood en de bedreiging van de armen zat waren. Als overal was het Stadsbestuur bang geworden voor het verloop van die verbinding tussen de doodsangst en de getergde nooddruft, maar ook tussen de bedrukte Joden stond een deel in verbittering en uiterste getartheid op, en raakte heimelijk besloten terug te slaan in plaats van, alsof het een rechtvaardigheid zou zijn, zich zonder verzet als afval in het vuur te laten strooien. Zij wisten van de massa-verbrandingen die al bedreven waren; zij wisten dat de Pest overal volgde. En juist dat begrip van die diepe onnozelheid in de aanvallers joeg hen