bijnen die ge bespot.9 Zij sprak zonder hatelijkheid, maar met. een beslistheid die onaantastbaar klonk.
‘Ben ik dan niet hier?’ poogde hij zwak zich te stellen. ‘Wie wist dan dat alles wel?’
‘Gijzelf wist het. En dan was er iemand die het ook uitsprak; ge hebt hem met U allen uitgelachen.9
‘Gij zijt geen Joods meisje, ge haat ons. Als die Nar het wist, konden wij het dan van hem aannernen? Van een kind van overlopers? En was het ook zoveel gochma, zoveel wijsheid van hem?’
‘Neen, maar wel goedheid. Ge kunt geen ongelijk erkennen.9
Met geheven blik zei hij:
‘En als ik het erken?’
‘Als ge het vandaag erkent, zult ge morgen weer hetzelfde doen.’
Toorniger nog, zei zij weer, en dacht daarbij vooral aan Fantins figuur in Ozia’s woning, die avond voor hun vertrek uit Worms:
‘Ge hebt gefaald. In ’sHertogenbosch hebt ge al gepraald met uw grote zaak in Beieren. Ge hebt gefaald en ge blijft falen. Uw beide vrienden zijn er het slachtoffer van geworden.9
‘Ge wilt toch niet met die Christennar trouwen? Die beide vrienden. . . zouden zij anders ginds niet zijn omgekomen? Ge wilt met die Christenknaap?’
‘Dat weet ik niet.’
‘Ge weet het niet?’ Hij voelde geen ingewanden meer.
‘Een Joods meisje weet niet of zij de vrouw van een Christen zal worden?’ vroeg hij nog met bijna gesloten keel.
‘Ik weet het niet. En het is niet: van belang.9
‘En ge wilt toch met mij hier blijven of verder trekken?9
‘Ik wil met u verder trekken of alleen gaan.9
Zijn hoofd omlaag, bleek, zei hij schor, wetend dat hij in