toch voor de Bisschop in Duits of Latijn worden overgebracht, en daarbij zouden wij toch mee mogen spreken, zei hij.
Maar men sprak weer tegen, dat allicht een gedoopte de tekst zou kunnen vervalsen, na de Bisschop tot wantrouwen te hebben gebracht in de vorm van een listige beschuldiging. Radeloosheid en verwarring golfden opnieuw tussen de tamelijk grote menigte heen en weer. Toen vroeg en kreeg de jonge sofistische Jakob, Rabbi Mollins zoon, verlof, voor te stellen dat men de Bisschop de Mezuzzah zou overhandigen, tegelijk met de vertaling van de inhoud, opdat het in elk geval de vervalser moeilijk werd gemaakt. ‘Want,’ zei hij, ‘men moet de boosdoener soms dwingen, al zijn kwaadaardigheid te tonen, opdat ten eerste hij daardoor in verlegenheid kan komen, want hij heeft gerekend niet meer dan de helft van zijn valsheid naar buiten te brengen. En ten tweede opdat de toehoorder eerder tot herkenning van de boosaardige toeleg zal geraken.’
En zo werd, niet zonder glimlachjes en knikken van bewondering voor de jeugdige Meester, besloten. En nadat de Gemeente enkele weken lang in onrust had geleefd, kwam de vriendelijke dank van de Bisschop, en de zekerheid dat zijn vraag naar de Mezuzzah althans voorlopig niets meer was geweest dan een gril.
In die stemming van zijn ongewisheid kwam Fantin ook bij Rifke. Hij had zijn overwicht heel en al verloren, en zocht haar instemming met zijn nu bodemloos geworden vertrouwen in vrede en nieuwe welstand. Hier in Mente zouden zij misschien kunnen blijven, meende hij; in de Synagoge-bijeen-komst had men ook bemoedigend gesproken. Die angst om de daad van de Bisschop was zonder grond gebleken. Aan zulke dwaze gedachten die begrijpelijk waren, mocht men zich niet toe ver trouwen.
Hij ontstelde van haar houding op zijn voorstel.
‘Ge zijt een man als zo velen. En even verwaten als de Rab