venstertjes, waarmee wij allemaal dachten in de adelstand te komen. Het is meer dan een halve doop geweest/ verzekerde hij lachend. ‘De Gehangene heeft gezegd: geef de Keizer wat des keizers is. Nu, wij geven de Keizer al alles wat van ons is, maar van Hertoginnen is niet eens gesproken. Hoe Christelijk zijn wij, Joden, vandaag.’
Die naargeestige kreuk in de trouw door de spijtigheid van de algemene nederlaag kwam dan een Rabbi Salman gladstrijken, een kolossale maar vrouwelijke gestalte, de handen in de zijden, grote blanke wangen, kleine ronde kin en smalle bovenlip, glad geknipt omdat men nooit met nauwkeurigheid wist wat de Christenen van het Joodse uiterlijk verlangden en vaak tegen de baarden preekten als blijken van aanmatiging jegens de Bisschopsdracht. Terwijl zijn broer Tröstlin die bijna zijn dubbelganger maar volkomen zijn echo was, vol bewondering toekeek, betoogde de rechtschapen en vormhand-havende Salman, dat men toch geen leedvermaak om eigen nood moest kweken, en ook geen vrouw verdacht maken zonder dat men iets van haar wandel wist. De scherts van Rabbi Heilman kon hij waarderen; het kan goed zijn, te lachen in het gevaar, zodra men alles gedaan had wat God ons oplegt te doen, met het verstand dat Hij ons gegeven heeft. Een Beierse Lening immers of een andere: ‘het gevaar is rondom ons.’ Rabbi Mendel zei toen uit zijn kriillenmassa van hoofdhaar en baardje, bezweet van moeite maar zonder enig doorzicht, dat toch in Mente de vrees voor een overval naar aanleiding van de Beierenlening overbodig was, dat was het ongelukkige Strassburg en ook Nordlingen geweest: God moge de slachtoffers gedenken.
Op die woorden zweeg Rabbi Salman. Maar hij wilde dat men zou beslissen wat de Bisschop geantwoord moest worden. Hij sprak met keurig beheerste ergernis. Hij wilde de Mezuz-zah sturen, want het Losjoun Hakoudesj, het Hebreeuws, zou