geweest, rekende met het voorafgaan van hun ondergang aan de Pest die niet kon uitblijven.
Zo kwamen Fantin en Rifke aan in een Kehilla even vol verwarring als de wereld van hun verklaarde of nog niet uitgesproken vijanden. Achter de zware bouwsels van Kerk en Klooster en Schouthuis, waar de menigte van rijk en arm alle gemis van jaren onderdanigheid in het gezicht van de dood wilde achterhalen, daar gistte, alleen van liefdeszeden nog streng, dat leven van de Jodenstraatjes in getergdheid en verbittering tegen het onvermogen van zijn leiders. De woede van de arme handwerkers, kramers en kleine handelaars in verlopen pandjes tegen de rijken met wie zij hadden om te komen, werd opgevangen door de ontstemdheid van de bezitters tegen hun machteloze Rabbijnen. Nooit was eerbied jegens de voorgangers zo gering geweest; nooit hadden, zoals nu, leerlingen hun leraar herhaaldelijk in gezamenlijke ergernis te bloeden geslagen, misdroegen de jonge mannen zich op hun feesten tot dieverij toe en werden de schriftgeleerden openlijk gehoond en tot bewijzen getart voor hun vermaningen. De uitspraak: ‘Blijft de stof waarover alles heenloopt, ’een woord tot aanvaarding van het lot dat hen ontwortelend wachtte, riep schreeuwen van smartelijke tegenstand op, en de Rabbijnen die zo spraken liepen met fronsen van bezorgdheid rond, vol vrees voor Joodse weerstand tegen de Christenen op het ogenblik van de aanval. Fantin, behalve dat hij die geest van ontevredenheid tot zijn bevreemding maar daarom nog niet zonder instemming bij de Joden van Mente in de straat en in de herberg ontmoette, vernam ook daarvan in een openbaar gestelde Raadszitting, w aar ook al de toestand van de Gemeente onder de ogen heette te worden gezien. Hij zag de onzekerheid bij de bestuurderen en hun leider Rabbi Mollin, toen een van de rebellen bij uitzondering niet alleen de onwil van de menigte tot volgzaamheid uitsprak, maar ook toelichtte.