Joodse ongehoorzaamheid aan de voorschriften. Overal in het land hadden de Gilden en Meestersbonden hun ‘Trinkstuben’, het Stadsbestuur verbood vaak uitbreiding daarvan, toen de zucht naar opwindende drank bij handwerkers en Poorters werd opgedreven onder de vrees voor de buiten rondmoordende Pest. Dichters klaagden daarover, het kon niet baten. De Joden van Men te, in die lichte opleving van hun gestemdheid, durfden zelfs op de Poeriemdag hun ‘Mummenschanz’ te spelen, een algemene verkleedgrap, waarin de gezinnen elkaar in de zotste vermommingen bezochten, en veel vrolijkheid en vriendschap beleefd werd bij de herkenningen.
Het baatte niet.
Bij de Christenen blies de man met de hoorn door de stad en riep dat de Badstube wachtte. Evenals in alle steden van het werelddeel trokken duizenden naar de badhuizen, nu niet naakt zoals in de zomer tegen de klerendiefstal, maar in bonte dracht, en van waanhoop dronken, om de Pest te vergeten en te voorkomen. Het baatte niet. De mens kon in zijn zwakheid ook de Pest nog niet weren. En daarom baatte de Joden het gedwongen inbinden jegens hun schuldenaars niet, en de Rabbijnen niet de gezagsversteviging door Rabbi Heilmans daad tegenover de Reiziger in wonderen. Ook door de opgewektheid van het Poeriemfeest bleef de levensmoed niet bloeien. Toen de dag daarna naar het geliefde Paasfeest deed verlangen, joeg een nieuwe schrik door de Gemeente: de Bisschop had weer iets ongewoons verzocht, een Mezuzzah, het Kokertje aan de Joodse deurposten waarin de kleine rol wras gesloten met de Joodse belijdenis. Zulk een daad van een gezaghebbend Christen was altijd voldoende om monden stil te zetten, harten in de kelen te doen kloppen en ogenparen scheef te trekken in de loerende blik naar de sprong die zou volgen, en te meer in deze dagen, nu de door zoveel eeuwen gescherpte waakzaamheid, of zij dan ook altoos vergeefs was